Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch de echtgenoote was nog niet bereid haar bij den zieke toe te laten. „Hoor eens," zei hij, „die mijnheer Snelwagen is er ook bij, dat begrijp je en dat lijkt me een respectabel man; en gemakkelijk is hij niet. Houd je nu

bedaard hoor." .

Het scheen dat mevrouw op deze vermaning vuur wilde vatten, want haar bol aangezicht werd nog rooder en kleurde hooger dan anders. Doch zij bedwong zich en ging naar de zitkamer, waar Karei nog altijd neergeknield lag bij den

bewusteloozen patiënt. , . ,

Karei sloeg de oogen op en, de vrouw des huizes ziende aankomen, stond hij op en ging haar een paar passen tegemoet. Hij begroette haar met een stijve buiging, en zei.

„Een treurig geval, mevrouw."

Dat hoor ik daar van mijn man, antwoordde mevrouw met een zuurzoet glimlachje, en trad nader, teneinde den jongen te zien. De arme knaap lag daar, lijkwit, met loodkleurige lippen, de oogen gesloten, bijna roerloos. Slechts de moeilijke ademhaling, die de borst op en neer bewoog toonde dat er nog leven in den jongen was Die aanblik scheen de vrouw te verteederen. Alle hardheid verdween 111 een oogenblik uit haar trekken, en, wat maar zeer zelden o-ebeurde, een traan welde op in haar oog. „Zoo n arme stumper," mompelde zij, en legfle haar hand op het bleeke

voorhoofd van den jongen. , . .. ••

Het scheen dat die zachte aanraking den knaap uit zijn verdooving deed ontwaken. Als een doodelijk vermoeide sloeg hij de oogen op, en wilde de lippen openen als om te spreken, doch Karei voorkwam hem: „Piet, zei hij, „je moogt geen woord zeggen en je moet je zoo min m0Se'j^ bewegen. Wij zullen je óok met rust laten, jongen.

er om, de bevelen van den dokter zijn stellig.

_Zou hij niets mogen gebruiken?" vroeg mevrouw.^

„Neen mevrouw, alleen wat ijs als hg dorst heelt.

"En ijs is er natuurlijk in overvloed."

„Ja mevrouw."

Heb ie dorst, mijn jongen? vroeg Karei.

De zieke smakte met de lippen, en Karei legde er een stukje ijs tusschen. Dat verkwikte hem zichtbaar.

„Heb je erge pijn ?" vroeg Karei.

De zieke knikte met het hoofd van ja.

Ondertusschen was mevrouw de kamer u'tgeSaa" e" scheen wel of zij met het verlaten van het vertrek ook afscheid van haar zachtere gevoelens genomen had, want men hoorde haar schrille stem door de gang klinken teneinde een der dienstboden te roepen. „Anna," hoorde Karei ^gen, jé moet zorgen dat er van middag met zoo'n lawaai in de

Sluiten