Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuken is, er is een zieke zoo je weet en die moet rust hebben."

„Wij maken nooit lawaai in de keuken," antwoordde het meisje bits.

„Stil, ik wil niet tegengesproken worden; doe jij maar wat ik zeg, jullie hebt altijd wat."

Het meisje ging, in zichzelve mompelend, heen.

„Waar is mijnheer?" vroeg de dame nu aan den knecht, die juist naar den tuin ging.

„Ik weet het niet, mevrouw."

„Zoek hem dan. Je begrijpt toch wel, dat ik hem hebben moet."

De knecht begreep het, en spoedde zich naar den tuin, waar de heer des huizes inderdaad was heen gevlucht, om vooreerst niet weer in botsing met zijn wederhelft te komen. Tot zjjn schrik vernam hij de boodschap, dat zijn vrouw hem riep.

De man ging langzaam naar de kamer, waarin zijn vrouw hem wachtte, „'t Is een malle historie met den jongen," zoo ontving zij hem.

„Daar heb je gelijk aan," antwoordde hij.

„Maar hoe is 't eigenlijk gekomen ?"

„Ja, dat weet ik niet."

„Hoe kwam hij boven; wat had hij daar te doen?"

„Dat weet ik niet."

„Heb jij hem gezegd, dat hij naar boven kon gaan?"

„Naar boven juist niet. Ik heb gezegd, dat hij maar eens een kijkje in het huis moest nemen."

„Waar was dat ook voor noodig?"

„Wat drommel," viel de echtgenoot, door al dat ondervragen driftig geworden, uit, „moet ik overal tekst en uitleg van geven? Ik had met dien Amsterdammer 't een en ander te praten, waar ik den jongen niet bij gebruiken kon, en kon dus niet beter doen dan hem even wegzenden. Waar drommel, vraag je al die dingen voor?"

„Omdat ik ze weten wil; en nu weet ik genoeg."

„Wat weet je dan?"

„Dat jij natuurlijk weer de noodige domheden hebt uitgehaald."

„Ik "

„Ja zeker jij; maar dat ben ik van je gewend."

„Maar wat drommel had ik dan moeten doen?"

„O, dat is jou niet zoo in een paar minuten aan je verstand te brengen."

„Neen maar . . .

„Och, houd je nu maar niet groot; laten wij maar zien hoe wij zoo erauw mogelijk van al den last afkomen, 't Is

Uit een Jongensleven. 3

Sluiten