Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles jou schuld. Wat een malle streken om voor een jongen te willen zorgen, die geen zorg noodig heeft, en die een leventje leidt als een prins; en nóg maller is 't, dat ik me heb laten overhalen om aan die gekheid meê te doen."

„Gelukkig dat jij ook nog eens een domheid begaat."

„Nou, ik gun je het pleizier, dat ik ook wel eens in mijn leven een domheid bega. Zorg nu maar dat die Amsterdamsche dwarskijker do deur uitkomt Dien jongen wil ik niet wegzenden, dat bogryp je, de stumper is er naar aan toe; maar die Amsterdammer moet de laan uit. En dat niet alleen. Je zorgt ook dat we niet alle uren van den dag door die kaasmenschen worden lastig gevallen. Als de jongen weer beter is, kan hij 't hun wel gaan vertellen hoe 't hem gegaan is."

„Waarom belast jij je niet met het verwijderen van die kaasmenschen ?"

„Och, omdat...

„Omdat jij bang bent voor dien Amsterdammer?"

„Ik bang?"

„Ik geloof het wel."

„Als jij dan niet durft, dan zal ik het wel klaren."

„Ik laat het met genoegen aan jou over."

„Goed; als de jongen naar boven mag, zullen wij hem de kleine kamer geven."

De echtgenoote sloeg een paar verbaasde oogen op. De kleine kamer namelijk grensde aan het slaapvertrek van de echtelieden Van Moor, en was eigenlijk speciaal voor het gebruik van mevrouw ingericht. De man kwam er nooit, hij waagde zich niet in wat hij 't „heiligdommetje" noemde, en zoo hij 't gewaagd had, ware hem vermoedelijk zonder veel complimenten de deur gewezen. Zijn oprechte verbazing over het feit, dat zijn vrouw dat kamertje aan den zieken jongen wilde afstaan, legde hij neer in de herhaling van de woorden : „De kleine kamer."

„Ja, wat zou dat?"

„O, mij is 'tgoed; ik dacht alleen maar dat je die graag voor je zelf hieldt."

„Neen, die moet aan- den jongen afgestaan worden. Dan ben ik nacht en dag bij de hand, als hij wat noodig heeft."

„Maar zal je dat niet te veel vermoeien?"

„Wat ben je bezorgd; dat overkomt je ook niet dikwijls."

„Voor een enkelen keer mag dat wel."

„Nu, de jongen komt daar. Ik hond van hem, zooals ik je zeg."

„Dan zal hij 't goed hebben."

„Daar kun je van op aan."

„Maar vrouw, die menschen uit Amsterdam zullen natuur-

Sluiten