Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mevrouw, het gaat heusch niet."

„Ja ziet u, dokter, ik heb boven bij onze slaapkamer een klein kamertje dat zoo heerlijk voor hem geschikt is. En dan ben ik altijd, ook s nachts, bij de hand. Er moet immers gewaakt worden, dokter?''

„Nu, gewaakt is het woord niet, maar 't is toch goed als er nu en dan op hem gelet wordt. Doch ik zal u een pleegzuster zenden, mevrouw."

„Niet noodig, dokter, tenminste als mevrouw er niet op tegen heeft, zou ik dezen nacht bij hem willen waken " kwam Karei tusschenbeide.

„Waar denkt u aan, mijnheer?"

„Och, mevrouw, ik doe toch geen oog dicht vannacht. Voor u is 't waken moeilijk; en voor den patiënt is 't misschien het beste dat ik het doe. Zou jij," dus wendde Karei zich plotseling tot den zieke, „zou jij 't niet het prettigst vinden, dat ik dezen nacht bij je bleef?"

De zieke knikte toestemmend.

„Dan zal mevrouw wel geen bezwaar hebben," meende de dokter.

„Nu, voor een nacht kan dat wel, en misschien is het morgen niet meer noodig en knapt hij op," meende mevrouw, die haar man een en al verbazing liet over haar nooit vertoonde goedhartigheid.

Later, toen de dokter weg was, ging Karei naar Amsterdam. „Ik ben met den laatsten trein weer hier, hoop ik," met deze woorden nam hij afscheid van den knaap. Hij ha'd een bang voorgevoel, dat de jongen wellicht nooit meer de woning op den Voorburgwal zou betreden.

HOOFDSTUK VII.

TUS8CHEN HOOP EN VREES.

„'t Is toch vreemd, Karei en Piet niet aan tafel," merkte, op den dag waarvan wij in het vorig hoofdstuk spraken! Lena op. „Prettig vind ik 't niet."

„En hoe zul je het dan met mij alleen wel maken?" vroeg de oudste broeder. „Over een paar weken gaan er drie tege° lijk weg."

„» raat me daar niet van. Ik vind het ook niets aangenaam."

„Ja, maar wij kunnen toch niet allen gaan."

„Neen, dat bedoel ik niet. Alleen maar wilde ik wel, dat ze goed en wel weer terug waren."

„Hoe ze het vandaag bij dien nieuwen oom en tante maken?" vroeg Wil.

Sluiten