Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik denk van zoo tamelijk. Anders was Karei al terug geweest," meende de oudste broeder. 1

„Daar heb je gelijk aan. Ik vind het anders een vreemde historie en een raar mensch. Een tante die hier komt en niet eens naar haar neefje vraagt."

„Ja, ik heb 't er tenminste niet op begrepen," verzeker-

de Wil.

„Ik ook niet," bromde Piet in zijn baard.

Tegen acht uur werd de sleutel in de buitendeur gestoken. „Daar zijn ze terug," riep Wil, en ging haar broeder tegemoet. Maar toen zij diens bleek en betrokken gelaat zag en Piet miste vroeg zij: „Waar is de jongen, je hebt hem toch meegebracht?"

Karei raapte al zijn zelfbeheersching bijeen en zei op gedwongen kalmen toon tot zijn zuster: „Niet alles vragen ineens, laat me even uitblazen, want ik heb veel te vertellen.

„Er is toch geen ongeluk gebeurd?" vroeg Lena.

"ik wou dat ik neen kon zeggen," kreunde Karei.

"O, zeg het wat er is," riep Lena, terwijl Wil reeds bezig was zich een paar tranen uit de oogen te wisschen.

„Ik zal je 't kort vertellen. Wij zijn in Hilversum gekomen, en terwijl de jongen door het huis liep is hij van de trap gevallen. Hij is nog al leelijk terecht gekomen, en kon nu vanavond niet meê naar huis terug. Hij moet bij zijn oom vandaag en morgen en misschien ook overmorgen logeeren. En dan hoop ik hem weer hierheen te halen.''

Maar 't is toch niet levensgevaarlijk?" vroeg Lena.

"Dat hoop ik niet De dokter is er tweemaal geweest, maar die kan natuurlijk pas over een paar dagen oordeelen, en is in het begin voorzichtig. Nu, dat vind ik juist goed. Om nu den jongen niet alleen te laten in dat vreemde huis den eersten nacht, heb ik gezegd dat ik terug kom en van nacht bij hem blijf."

„Moet er dan gewaakt worden?" vroeg Lena.

„Dat zal onze jongen wel prettig vinden," meende Wil.

„Misschien moet nu de geheele buitenlandsche reis wel uitgesteld worden," opperde Lena. '

„Dat zou wel kunnen, maar dat is het ergste niet, gat

Wil te kennen.

Hoor eens," zei Karei, „wij moeten het aan den Heere overlaten en ook in dezen niet bezorgd zijn. Maar toch, ik wil het eerlijk zeggen, gerust ben ik niet. Je weet hoe zwak hij is, en nu dit er bij, 't is me werkelijk somber om mijn hart als ik er aan denk. Laat ons God bidden. Ik zou t zoo hard, zoo bitter hard vinden a'.s wij hem moesten verhezen, en

toch, daar vrees ik voor en de anaers zoo Kaïme c»

Karei kon niet voortgaan, want traneii verstikten zi]n siem.

Sluiten