Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, dan is het wèl erg," jammerde Lena.

„Bedaar nu," vermaande Piet, „misschien is God de Heere genadig en behoudt Hij den jongen voor ons. Laat ons 't ïlem vragen." En zonder een antwoord af te wachten boog hij de knieën, en door den broeder werd een innig gebed ten hemel gezonden voor den armen jongen, die nu in het huis van zijn oom lag, waar men nooit bad.

„Nu moet ik naar den trein"; zei Karei, „morgenochtend zal ik wel even telegrafeeren hoe de nacht voorbijging."

„Wij mogen toch morgen eens gaan zien?" vroeg Wil.

„Natuurlijk; daar zal ik ook wel over telegrafeeren. Maar nu moet ik weg. Het is de laatste trein, en ik zou hem niet gaarne missen."

Lena wilde bepaald nog iets voor den lijder medegeven, een versnapering, een kleine verkwikking maar; zij hield er niet van bij zieken met ledige handen te komen; doch Karei overtuigde haar, dat hij geen tjjd had om te wachten en dat de jongen niets noodig had, want dat de Hilversumsche tante inderdaad goed voor alles zorgde.

Nadat hij de zusters zoo goed mogelijk had gerustgesteld, ging hij naar het station, vergezeld van zijn broeder, die, zoodra ze op weg waren, de vraag deed: „Zeg, Karei, is het hopeloos?"

„Ik vrees van ja."

„Dat dacht ik al," zei de ander somber. „Zal ik morgen eens met onzen dokter komen?"

„Niet kwaad, maar wacht eerst mijn telegram af."

„Toch jammer; zoo'n flinke jongen toen ik hem ontmoette, en nu zóo heen te gaan. Des Ileeren wegen zijn wel wonderlijk. Verliezen moeten wij hem toch; maar nu zoo opeens; zoo verschrikkelijk."

De beide mannen gingen zonder spreken verder. Toen Karei in het spoorwegrijtuig had plaats genomen, stak Piet nog even zijn hoofd door het raampje en zei: „Karei, breng hem van ons allen de hartelijke groeten, en zeg hem, dat wij niet ophouden voor hem te bidden."

„Ik zal 't hem zeggen, hij weet dat trouwens "

JDe locomotief deed haar gefluit hooren; de trein stoomde het station uit en bracht Karei na een groot half uur in Hilversum. Toen hij aan het huis van den heer Yan Moor aanbelde, deed mevrouw zelve hem de deur open. „Geen verandering in den toestand, mijnheer," dus lichtte ze Karei in. „Op 't oogenblik schijnt hij te sluimeren."

„Heeft hij iets gevraagd, mevrouw?'

„Neen, neen; hij is rustig gebleven," en onhoorbaar opende de zonderlinge vrouw de deur der kamer waar de zieke lag. Karei nam plaats aan de tafel, buiten het licht der lamp,

Sluiten