Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bespiedde iedere beweging die de knaap maakte. Af en toe sloop hij naar den lijder, die na een paar uur de oogen opende en zich zeer gelukkig toonde toen hij een van zijn pleegvaders bij zich had. Karei legde hem de hand op het hoofd. „Piet," zei hij bewogen, „je moet van allen tehuis de hartelijke groeten hebben." Piet dankte met de oogen.

De nacht ging rustig en kalm voorbij. Reeds den volgenden morgen vroeg was tante weer in de kamer. „Hoe heeft hij 't gemaakt, mijnheer?" vroeg zij fluisterend, terwijl zij een bezorgden blik op den zieke wierp.

„Nogal redelijk. Hoe laat komt de dokter?"

„O, heel vroeg, ik heb 't hem uitdrukkelijk gevraagd."

De geneesheer kwam inderdaad reeds vroeg in den morgen, en vond den patiënt veel beter dan hij hem 'den vorigen dag verlaten had. „Het laat zich beter aanzien dan gisteren, mevrouw. Wij zijn natuurlijk het gevaar nog lang niet te boven, maar wij zijn vooruitgegaan, en dat is iets."

„Dus u geeft hoop op herstel?" vroeg Karei, toen hij den dokter uitliet.

„Ik acht herstel nu niet uitgesloten."

Toen de geneesheer was vertrokken schreef Karei het volgende telegram, dat hij in overleg met tante Yan Moor had opgesteld:

Snelwagen. N. Z. Voorburgwal, Amsterdam.

Nacht rustig. Toestand iets beter. Zusters komen.

Karel.

Men kan zich voorstellen welk een vreugde dit telegrafisch bericht in de woning der Snelwagens bracht, maar minder aangenaam was tante Van Moor gestemd over het feit, dat Karei zonder veel omslag de komst van zijn twee zusters had aangekondigd. Zij ging naar het slaapvertrek, waar haar echtgenoot nog op een oor lag en begon haar ontevredenheid te luchten: „Zie je, dat is nu vervelend, nu krijg ik weer twee stoethaspels uit Amsterdam op visite." De stoethaspels waren Lena en Wil.

„Zeg je wat, lieve?" vroeg de heer gemaal druilerig.

„Ja, kom je bed maar uit, dan kan jij met die Amsterdamsche nuffen wat rondwandelen."

„Komen er dames hier?"

„Ja, de zusters van dien kaasman. Toe, sta nu op : die menschen overvallen je natuurlijk voor dag en voor dauw."

„Dat gaat zoo!" bromde oom, die een moeilijken dag in 't verschiet kreeg, en gaarne was blijven liggen.

„Kom er nu uit!" gebood zijn huisvrouw op stelligen toon; de man gehoorzaamde en stond weldra geeuwend op den vloer. „Iloe is 't met den jongen?" vroeg hij aan zijn

druk bezig zijnde wederhelft.

Sluiten