Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gelukkig niet slimmer. De dokter is er geweest en vond hem redelijk. Hij heeft een rustigen nacht gehad."

„Dat gaat zoo; misschien knapt hij weer heelemaal op."

„Als jij tenminste maar geen onvoorzichtigheden uithaalt."

„Kom, je weet wel, voor ziekenverzorger ben ik niet in de wieg gelegd, en ik houd niet van zieken, en ik zal hem niet dikwijls lastig vallen."

„Bemoei jij je maar met de honden en de kippen; daar kan je geen kwaad meê."

„En je stuurt mij vandaag nog wel met twee dames de deur uit."

„O, die; maar we moeten toch zien dat we van die schepsels afkomen."

„Bedenk jij maar wat; je bent nogal slim."

Zoo werd het gesprek tusschen de echtgenooten nog een poos voortgezet, tot eindelijk de heer des huizes zich gekleed had en de kamer verliet om den patiënt te gaan zien.

Tegen elf uur kwamen de zusters op de villa aan; ze werden door mevrouw ontvangen, die haar gelaat in de vriendelijkste plooien trok, het geval in kleuren en geuren verhaalde, van haar groote en moederlijke zorgen voor den jongen hoog opgaf en herhaalde malen plechtig verzekerde, dat hij 't zoo goed bij haar zou hebben als 't maar verlangd kon worden.

De zusters, die door Karei voldoende waren ingelicht, prevelden eenigo beleefdheden, en spraken haar verlangen uit, nu even bij den zieke te worden toegelaten.

De lijder glimlachte vergenoegd toen hij zijn twee pleegmoeders zag; en Lena liet een paar tranen den vrijen loop. Veel te praten en veel te vragen was er natuurlijk niet, en na verloop van een half uur stonden de zusters op, zij zouden met den avondtcein weer naar Amsterdam teruggaan, doch vooraf 's middags nog een uurtje bij den zieke komen.

Toen zij dit voornemen aan tante Van Moor kenbaar maakten, verzekerde deze, dat haar heer gemaal er stellig op rekende, den dames het schoone van Hilversum eens te toonen, doch Lena en Wil zeiden een bezoek aan kennissen te gaan brengen, „zoodat zij mijnheer niet lastig behoefden te vallen."

„Lastig vallen, lieve dames;" zoo barstte Van Moor uit, „geen heerlijker lastigheid dan deze. Maar ik begrijp wel, de dames zijn op het gezelschap van zoo'n ouden vogelverschrikker niet gesteld. Ja, dat gaat zoo."

„Praat toch zoo mal niet," vermaande mevrouw.

Lena en Wil gingen huns weegs. Zij hadden het druk met elkander over allerlei, en als de heer en mevrouw Van Moor het oordeel hadden kunnen vernemen, door de zusters

Sluiten