Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij heeft het zoo benauwd. Zoudt u niet even om den dokter willen zenden?"

„Ja, dadelijk." En mevrouw verliet in haast de kamer, wekte den knecht en zond dien met een dringende boodschap naar den geneesheer.

Snelwagen knielde bij den lijder neer. „O, Piet, mijn jongen," dus nokte hij met door tranen verstikte stem, „nu komt het er op aan. Dat zou wel eens de doodsstrijd kunnen zijn; doch wie in den Zoon gelooft, die- heeft het eeuwige leven." — „Heere mijn God 1" — dus riep hij een oogenblik later uit, terwijl hij den stervenden knaap in de armen hield, „ontferm tJ over mijn jongen; ontferm U!''

Tante Yan Moor kwam binnen en bracht met veel talent eenige verlichting aan. Zij hielp den knaap voorbeeldig, en werkelijk begon Snelwagen er meê verzoend te worden, dat de jongen in de armen van deze vrouw in plaats van die van Lena of Wil geholpen werd.

Doch de benauwdheid van den knaap week niet, en alsof hij vreesde alleen gelaten te worden, zoo sloeg hij de klamme vingers krampachtig om de hand van zijn pleegvader, die in stilte bad.

„O!" riep tante Yan Moor eensklaps, „daar is bloed!" En werkelijk brak een lauwe bloedgolf door de lippen van den jongen heen. Heel voorzichtig legde tante het hoofd van den knaap op 't bed en wischte het bloed tusschen de lippen weg.

Juist kwam de dokter.

Hij zag den patiënt, voelde hem den pols en keek zeer bedenkelijk. '

„Wat dunkt u, dokter?" vroeg tante zacht.

„Mevrouw, hier is geen beterschap, helaas!"

„In 't geheel geen hoop?" vroeg Snelwagen met heesche stem ...

„Ik mag er u niet meê vleien. Nog een paar uur en dan kan alles afgeloopen zijn."

„Kunnen we dan niets meer doen?"

„Helaas, neen, mevrouw."

„Ook niets om te verzachten?"

„Och neen; als dit bloeden voorbij is, zal hij zich wel wat luchtiger gevoelen; maar veel aan te verlichten is er niet meer. Geeft u hem van dit drankje nog maar geregeld in, dan kom ik morgenochtend vroeg nog eens even zien."

De geneesheer vertrok en liet tante met den patiënt en den heer Snelwagen alleen. De lijder lag bewegingloos, hét bloed scheen gestelpt, en een lichte sluimering was als over den jongen gekomen.

Tante wenkte Snelwagen naar een hoek van de kamer. „Ik kan het niet aanzien," snikte zij zacht. „O, zoo'n arme jongen."

Sluiten