Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men hem zou hebben toegeschreven, klonk het van de stervende lippen: „Jezus is de weg, en de waarheid, en het leven."

Snelwagen liet er op volgen: „Die in mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; alzoo liefheeft God de wereld gehad, dat hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het e"euwige leven hebbe."

„Ja," antwoordde de stervende, en drukte krampachtig de hand van zijn pleegvader. Toen liet hij vermoeid het hoofd in de kussens terugzinken, en weer lag hij als in een sluimering.

„Lang duren kan het niet meer," fluisterde tante, „maar die jongen gaat naar den hemel, mijnheer, zekerlijk, het is een vroom kind. Och. ik schaam mij dat ik zoo anders ben."

„De lleere heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve," antwoordde Snelwagen ; maar tante Yan Moor begreep hem blijkbaar niet. Zij trachtte haar tranen te bedwingen, doch dat gelukte niet, en daarom verliet zij de kamer. „Arme vrouw," mompelde Snelwagen, „wie weet waartoe God dit onbekende neefje nog hierheen heeft geleid;" doch, zoo liet hij er zwaarmoedig op volgen, „zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die hooren."

Het was ondertusschen volle dag geworden, en Snelwagen zag nu en dan op zjjn horloge, als om de minuten te tellen. Tante kwam weer binnen, gevolgd door haar man, die zich nu ook bij het sterfbed nederzette. Beiden spraken geen woord, en wachtten.

In de verte hoorde men een rijtuig aankomen.

„Dat zullen ze zijn," zei tante en stond op. „Ik zal ze wel ontvangen." Zij sloop de deur uit en ging den tuin in naar het hek, waar zij het rijtuig opwachtte. Het waren Karei, Lena en Wil, de twee laatsten met rood geschreide oogen.

„Leeft hij nog?" Met die vraag stapte Karei uit het rijtuig, door zijn zusters gevolgd.

„Ja, gaat.u maar meê," antwoordde tante; „hij leeft nog, maar 't zal wel spoedig gedaan zijn. Hij is van nacht zoo benauwd geworden; de dokter zegt, dat er geen hoop meer is. Maar o, mijnheer, die jongen heeft zoo heerlijk gesproken: hij sterft zoo vroom; hij gaat naar den hemel, zeker, naar den hemel," en hier kon tante haar aandoeningen niet langer bedwingen en begon zóo hartstochtelijk te schreien, dat Lena en Wil alle moeite doen moesten om haar tot bedaren te brengen.

Karei was inmiddels regelrecht naar de kamer gestapt

Sluiten