Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar de jongen lag. Hij drukte zijn broeder en Van Moor de hand, zonder een woord te zeggen, en wierp een langen blik op den lijder.

„Zijn Lena en Wil er?" vroeg de oudste broeder.

„Ja."

„Laat ze dan komen," en juist kwamen de zusters binnen. Karei wenkte dat zij stil zouden zijn, doch Lena beefde zóo hevig, dat men haar een stoel moest geven om te zitten.

Niemand sprak een woord en allen wachtten, terwijl de zieke nu en dan onrustig de handen bewoog. ^

„Zou hij nog eenmaal de oogen openen?" vroeg Wil aan Karei. )t

„Ik weet het niet, maar mogelijk is het wel."

„Hij heeft het erg benauwd."

„Ja, maar 't is haast voorbij. Zie maar." En Wil zag hoe de doodstrek het gelaat van den jongen teekende. Maar toen ook sloeg hij nog eenmaal de oogen op. Wil knielde neer, en drukte hem een kus op het ijskoude voorhoofd. „Ken je

me nog, Piet?" .

De jongen zag ze allen aan, als met rustige kalmte in het oog. Maar het was zijn laatste blik; een hevige benauwdheid greep hem eensklaps aan. Wil, Lena en tante Van Moor staken de handen uit om te helpen, doch Karei wees ze terug. „Het is gedaan," zei hij somber, en legde des jongens hoofd, dat hij in den arm genomen had, teeder op het kussen.

De levensadem was heengevloden; de knaap, die zoolang geen ouderlijk huis had gekend, was heengegaan naar het Vaderhuis.

De omringenden waren verslagen en stonden een oogen-

blik als verstomd.

Toen uitte zich de droefheid bij de zusters en tante \ an Moor in luid snikken, de drie mannen leidden de vrouwen heen naar een hoek van het vertrek, waar zij haar tranen den vrijen loop lieten.

Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen, nam de oudste broeder het laken dat hij over het gelaat van den iongen gelegd had weg, en riep de anderen. De trekken waren nu ontspannen, het lijden teekende dat gelaat niet meer en er lag een vredige uitdrukking over verspreid. „Zie,

sprak Karei, „zie hem nu aan ; wat hebben wij veel genot aan dien armen verweesden jongen beleefd ; wat zullen wy hem missen, iederen dag." En de oudste broeder, neerknielende bij de sponde, dankte God voor het voorrecht, dat ze dezen jongen hadden mogen zijn tot een hulpe en gids op den weg naar het eeuwige Vaderhuis.

Sluiten