Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te kunnen geven. Ook 's winters is het een lust, hem te zien. Wel is hem dan zijn groene dos ontvallen, maar hier en daar hangt nog tusschen de twijgen een tros donkerbruin gebladert, dat vreemde tonen voortbrengt, wanneer de wind er langs strijkt. Stout verheft hij zijne takken hoog in de lucht, en toch schijnt het, alsof hij ze uitstrekt, om daar hulp te zoeken tegen de koude en bedekking voor zijn naaktheid.

De grond aan zijne voeten is thans bijna kaal en slechts een paar spichtige grashalmpjes hebben zich in zijn nabijheid gewaagd. Niet ver van hem af vloeit langs het kreupelhout een beekje, welks oevers dicht begroeid en met bloemen als overladen zijn. Allerlei kleuren neemt het zacht voortstuwend water aan, al naardat de beuk zich ontwikkelt en er zijne schaduw overheen doet glijden: nu eens groen, dan bruin, soms bij zwart af. Nu eens spiegelen zich allerlei arabesken op de oppervlakte af; dan weer is het, alsof gnomen en kaboutermannetjes daarop hun spel drijven. En welk een gewemel en gewriemel is er over het beekje heen! Tal van vliegjes en muggen zweven dansende op en neder en worden wel eens de prooi van kleine vischjes, die er naar happen. Bijen en kevers gonzen langs de bloemen aan den oever, en hier en daar fladdert een vlinder, zich niet bekommerende over den eenzamen kikker, die op een groen blaadje nederhurkt en zijne wereld beschouwt.

Aan wien die beuk behoort, ik weet het niet j maar ik denk wel, dat het jonge meisje, dat er thans onder zit, het u zou kunnen zeggen. Nu echter moet gij het haar niet vragen. Zij heeft op dit oogenblik andere dingen te bedenken, dingen, ernstig op zichzelf, maar voor haar aangenaam, verrukkelijk. Dat jonge meisje telt hoogstens negentien zomers en ziet er zoo frisch en lieftallig uit, als de lente bij zonneschijn. Onder haar breedgeranden stroohoed komt het golvende blonde haar te voorschijn, en nog geen enkel wolkje van smart of kommer heeft haar blank voorhoofd beschaduwd, terwijl hare oogen zoo blauw zijn, alsof zich daarin een wolkenlooze hemel heeft afgespiegeld. Frisch zijn hare wangen, en op dit oogenblik donkerrood van den inwendigen gloed, die als met schokken op waarts^ stijgt. Hare kleeding is eenvoudig, landelijk, smaakvol, en zooals zij daar zit op de bank die rondom den beuk is aangebracht, met haar parasol in de eene en een brief in de andere hand, herkennen wij haar als de eenige dochter van den ontvanger uit het stadje, waarvan de beide kerktorens door het gebladert heen zichtbaar zijn.

Met opzet heeft zij dit plekje opgezocht, om zich hier ongestoord met hare gedachten bezig te houden. Het stadje, kalm en doodsch, zooals velen onzer Achterhoeksche stadjes zijn, was haar heden te woelig geweest, en daar zij wist, dat de bewoners geen bijzondere beminnaars van wandelen waren, en zij ook nu niet behoeft te

Sluiten