Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prins & Co., is een bekwaam man en zal zijn brood wel verdienen.* 't Was eene loftuiting, zijn vak betreffende; meer niet, en dus voor haar niet voldoende. Toch voedde zij de hoop, dat zij van haar vader, als zij een gunstig oogenblikje zou kunnen waarnemen, wel de toestemming zou verkrijgen. Immers, van diens liefde hield zij zich verzekerd, en niet zelden was het gebeurd, dat, wanneer zij slechts aanhield, zij al zijne weifelingen en bedenkingen had overwonnen.

Bij eenig nadenken kwam het haar echter voor, het best te zijn, nog eenigen tijd te wachten, voordat zij er hem kennis van gaf. Frans had haar geschreven, dat hij zelf eerlang wilde komen om bij haar vader aanzoek te doen, en in dien tusschentijd wilde zij hem polsen.

Wat den brief betrof, zij had dien nog niet beantwoord. Dit kon ook nog niet; maar als Frans achter den beuk had gestaan of haar van tusschen het kreupelboschje bespied had, zou hij op haar van vreugde stralend gelaat het antwoord wel gelezen hebben.

En nu zat zij met den brief in de hand onder den boom, en al hare gedachten waren bij hem, dien zij liefhad.

Zonder dat zij iets gehoord had, ontstond er eenige beweging in de takjes van het kreupelhout. Die takjes, hangende over een smal voetpad, werden ter zijde gedrukt, en nu kwam er aan den tegenovergestelden oever van 't beekje, dat hier ter plaatse van een loopplank voorzien was, een jonge man te voorschijn, die den blik op Elise gericht hield. Hij wilde haar niet plotseling overvallen, maakte eenig geruisch met de takken, en ziende dat Elise hem bemerkt had, haastte hij zich naar de overzijde, groette beleefd en zeide:

„Duid het mij niet ten kwade, juffrouw Elise, dat ik u op dit eenzaam plekje kom storen. Ik was straks aan uw huis, en daar uw vader meende, dat gij herwaarts waart gegaan, ben ik zoo vrij geweest u hier op te zoeken, daar ik u iets belangrijks heb mede te deelen.'

Elise was in het eerst wel een weinig ontroerd door deze plotselinge komst, maar zij herstelde zich spoedig. Immers, zij had van Herman Sanders, die nu voor haar stond, niets te vreezen. Zij kenden elkander en hadden als kinderen onder dezen zelfden beukeboom gespeeld. Toch kon zij niet verhinderen, dat zich thans eenige verlegenheid van haar meester maakte, een verlegenheid, die ook zichtbaar was aan den verhoogden blos harer wangen.

Zij had zijn beleefden groet met een vriendelijke buiging beantwoord, 'tgeen Herman moed gaf, te vervolgen:

„Ik ben gisteravond in stad gekomen, om oom en tante Oker te bezoeken. U weet, zij zijn de eenige bloedverwanten die ik nog in deze wereld bezit en mij raad kunnen geven, zoowel in mijn voornemen om mij voorgoed in de hoofdstad te vestigen, als* — en hier zag hij haar ernstig aan — „in de teederste aangelegenheden mijns harten.*

Sluiten