Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder het eten had zij duizend vragen op de lippen, die zij haren man wilde doen; maar zij moest ze terughouden. Hanne liep in en uit om schotels te brengen of te halen, en hoe trouw en goed zij ook was, voor haar moest toch immers verborgen blijven, wat Frans aan zijne vrouw gewis zou mededeelen.

Het middagmaal was afgeloopen. Hanne had den kleinen Felix, die zijn paardje onder den arm hield, naar bed gebracht en hem een liedje voorgezongen, zoo lang, tot hij was ingedommeld. Elise ontkleedde Mina, gaf haar het noodige en lei haar in de wieg. Frans was naar boven, naar zijne werkkamer, maar zou spoedig beneden komen.

De lamp brandde helder op de tafel, die nu voorzien was van al wat er Dy het theedrinken behoort, en de kamer zag er zoo gezellig, zoo uitnoodigend uit voor een gelukkigen, huiselijken avond, als in geen weken te voren.

Frans was teruggekomen.

Er lag een courant op tafel. Elise had ze nog niet gelezen en Frans zag ze zelden in. Zijne pijp, die hij wel eens rookte, wanneer hij 's avonds thuis kon blijven, stond onaangeroerd in een hoekje van den schoorsteenmantel; hij wilde niet rooken, om de kleine Mina niet te benauwen.

De beide echtgenooten zagen elkander aan, de een glimlachend, de ander vragend, uitlokkend.

„Ik zal je wel uit den droom helpen,* begon Frans, terwijl hij opstond en zijne vrouw omhelsde. „Immers, ik kan in je oogen lezen, hoezeer je brandt van verlangen om te weten waarom ik zoo opgewekt te huis ben gekomen. Is het niet zoo ? Nu, ik zal het je zeggen.'

Hij nam een stoel, schoof dezen dicht bij zijne vrouw en zeide:

„Ik was de laatste dagen verdrietig. Het werk wilde niet goed vlotten en ik had allerlei tegenspoed en ook tegenwerking.*

„Van welken kant kwam die tegenwerking?' vroeg zijne vrouw.

„Zoowel van den heer Evert Prins als van den heer Hulsting. Gij weet, die eerste bejegende mij nooit vriendelijk; hij liet mij altijd gevoelen, dat ik zijn mindere was, en er kwam wel eens botsing tusschen ons, daar hij zich verbeeldt meer van de werktuigkunde te weten dan ik. Nu is het waar, dat hij een zoogenaamde hoogere opleiding heeft genoten; maar moge hij ook al eenigszins bekend zijn met de theorie der dingen, van de praktijk weet hij bitter weinig. Bovendien, hij volgt nog steeds den ouden gang en is er de man niet naar, om iets nieuws of beters te bedenken en ten uitvoer te brengen. Wat den heer Hulsting betreft, met wien ik meestal op goeden voet sta, deze wordt altijd mijn tegenstander, zoodra hij vreest, dat de fabriek eenige schade kan lijden door

Sluiten