Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een Engelsch of Fransch model was genomen. Ik antwoordde hem, dat ik nooit te voren een dergelijke katrol had gezien, maar dat ze een werk van mijne berekening en vinding was. De minister gaf mij daarop zijne hoog© tevredenheid te kennen met dezen uitslag, en op zijn last werden my eenige modellen van kranen voorgelegd, waarover hij mijn oordeel wenschte te weten. Er was er een bij, namelijk een kraan volgens het stelsel van Babinet, die mijn opmerkzaamheid trok; maar ik waagde het niet, mijne goed- of afkeuring te kennen te geven, en verzocht den minister, mij inde gelegenheid te stellen ze op mijn gemak te onderzoeken. Daaraan zal voldaan worden. Ook sprak de minister nog breedvoerig over de machine, die wij voor de Marine onder handen hebben, en beloofde ons zijne medewerking."

„Die ons goed zal te stade komen," zeide de gastheer, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.

De kamerdeur werd geopend en nu trad mevrouw Prins binnen. Men kon het haar, zoowel in houding als kleeding, terstond aanzien, dat zij een vrouw van stand was en een deftige opvoeding had genoten. Beleefd en toch waardig beantwoordde zij de begroeting der aanwezigen. De Engelsche gewoonte van ,shaking hands" — de hand geven — aan kennissen en personen, die men pas voor de tweede of derde maal ontmoet, was toen nog niet algemeen aangenomen. Dit voorrecht viel slechts aan bijzondere vrienden of intieme kennissen ten deel, terwijl men zich vergenoegde met tegenover elkander een statige buiging te maken. Dit wasdan ook de reden, waarom mevrouw Prins Elise de hand niet reikte. Zij boog echter zeer minzaam voor haar en nam ook naast haar plaats.

De thee werd rondgediend. De gesprekken der dames namen hun gewonen loop over het weer, de kleeding en huiselijke zaken, terwijl de beide heeren — mevrouw Hulsting had het wel voorspeld het druk hadden over de fabriek en de nieuwste uitvindingen op het gebied van het stoomwezen.

Onderwijl Elise haar kopje thee dronk, nam mevrouw Prins haar van ter zijde op, niet met een air van trotschheid of met den bespiedenden blik, waarmede wel eens op personen van minderen^ rang of stand wordt neergezien, — neen, er lag iets welgevalligs in het oog, dat op Elise gericht was. Het scheen ook, dat de beschouwing niet ongunstig uitviel, althans mevrouw Prins wendde zich tot haar met de vraag:

„Hebben wij elkander niet in de kerk gezien?"

„Ik meen van ja," antwoordde Elise, die door den minzamen toon dezer woorden opgewekt werd; „wanneer ik het mij goed herinner, was het in de Zuiderkerk en kwam ik naast u te zitten.

Sluiten