Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„'t Zijn nieuwigheden," zei mevrouw Hulsting, „en zooals 't altijd gaat: ze komen en verdwijnen."

„Maar laten toch iets achter," meende Elise. „Ik vind het heerlijk, als de menschen tot iets goeds en nuttigs opgewekt worden. Wij moeten ons verheffen boven het alledaagsche."

De heeren hadden weer hunne plaatsen bij de dames ingenomen.

De pendule sloeg negen uur.

Dit geluid trof den heer Hulsting. Hij wilde juist zijn glas wijn aan de lippen brengen en Frans uitnoodigen zijn voorbeeld te volgen, toen hij naar de pendule omzag.

„Reeds negen uur!" riep hij uit. „En nog geen post! 't Spijt mij zeer, vooral om u, mijnheer Walton, dat de post van avond zoo lang uitblijft, 't Is onbegrijpelijk! Ik had er zoo op gevlast, nu u juist hier zijt; want, gelijk iku onlangs zeide, ik verwacht hedenavond brieven uit het buitenland."

„Ze zullen ook wel komen, als zij afgezonden zijn," zei Frans, „'t Zal zoo'n haast niet hebben.'

„Maar ze zullen voor u van belang kunnen zijn. De heer Prins had nog eenige schikkingen te maken met den heer Pénard te Parijs, en den dag te bepalen van uwe komst aldaar.... Maar daar zal de post zijn."

Hij hoorde de huisschel overgaan en een paar minuten later bracht de dienstmaagd een pakje brieven en gedrukte stukken, die zij den heer des huizes overhandigde.

„Verontschuldigt mij, dames," zeide hij, „dat ik zoo vrij ben even de brieven in te zien."

De dames hadden het zoo druk met beschouwingen over de mode, dat zij nauwelijks zijne woorden hadden gehoord. De verontschuldiging was dan ook slechts voor den vorm, want zijn nieuwsgierigheid was zoo groot, dat hij, met de brieven onder het oog, niet zou gewacht hebben totdat de dames vertrokken waren.

Hij spreidde de brieven over de tafel uit en zocht er naar een, dien hij dan ook vond, opende en snel doorlas.

„Ziezoo," zeide hij, Frans vertrouwelijk op den schouder kloppende, „die zaak is in orde, en daar wij reeds zoogoed als klaar zijn met een rempla^ant, zal het niet zoo lang meer duren, dat ge naar Parijs vertrekt."

Elise hoorde deze woorden en verbleekte. Frans wreef zich vergenoegd de handen en wilde zijne vrouw iets zeggen, maar werd hierin verhinderd door een uitroep van juffrouw Krimpen, die — de lezer zal het zich herinneren — naast mevrouw Prins en tegenover den heer Hulsting gezeten was. Een der brieven was tot in hare nabijheid gegleden en zij kon zonder moeite het adres lezen. Onbedachtzaam als zij was, riep zij uit:

Sluiten