Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elise was zeer erkentelijk voor dit aanbod, en Frans, die de uitnoodiging gehoord had, boog zich voor de vrouw van zijn chef en betuigde zijn dank voor hare welwillendheid.

De dames maakten zich gereed om te vertrekken.

De heer Hulsting had de brieven op den schoorsteenmantel gelegd, maar niet vergeten, dat zijn nicht hem een weinig in verlegenheid had gebracht.

Hij wilde zich daarover wreken.

„Nicht Charlotte," zeide hij tot haar, die voor den spiegel stond en hare krullen rangschikte, „moet je nu weer in dezelfde slee, waarin de oude juffrouw gelegen heeft ? Je zult er zeker van nacht van droomen."

„Ik hoop, dat 'teen andere is," was haar antwoord; „tenminste, toen ik van avond hier kwam, heb ik den koetsier gezegd, dat ik niet meer in dezelfde slee wilde zitten ... En droomen ? Och, toen mijn broer Daniël nog leefde, zei hij altijd: Droomen doen geen kwaad! Dat zal ik dan ook maar zeggen."

„Maar als je nu eens droomde, dat de oude juffrouw bij je kwam en je met holle stem toeriep: Ga met mij mee naar het Fransche pad ?"

„Louis, Louis!" viel zijne vrouw hem in de rede. „Je plaagt Charlotte te veel."

„In 't geheel niet; ik wensch haar het beste toe. En, nicht, heb je ons niet gezegd, dat, toen je hierheen reedt, een inspecteur de slee liet stilhouden?"

,Ja, 't was een knappe man. Ik kon hem duidelijk zien bij 'tlicht, dat uit een winkel viel."

„Nu, dan zal ik eens je profeet wezen. Let op, 't zal zoo heel lang niet meer duren, of die knappe inspecteur komt je af halen, en dan ga je van daar naar de trouwzaal."

Juffrouw Krimpen werd niet boos. Zij hield wel van dergelijke plagerijen. Mevrouw Hulsting echter maakte er een eind aan, nam haar arm en geleidde haar naar de deur.

De gasten namen afscheid, betuigden, dat zij een recht gezelligen avond hadden genoten, en Frans drukte den heer Hulsting hartelijk de hand.

Sluiten