Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik geef hem geen gelijk, Evert. Maar 't is best mogelijk, dat hij goed gezien heeft en de vergelijking juist is. En in dat geval ligt er, dunkt mij, een waarschuwing voor je in.'

„Dat is mij niet duidelijk. Ik kijk ook goed uit mijn oogen en heb de wenken van kinderen niet noodig. Zij moeten zich niet bemoeien met 'tgeen hun niet aangaat, allerminst met mijn kantoorzaken."

„Vindt je dat zóó goed? Je houdt mij ook altijd onkundig van 'tgeen er op je kantoor gebeurt, en slechts van tijd tot tijd deel je mij iets mede, dat mij verblijden kan. Nu is het waar, dat ik van werktuigen en het maken daarvan geen verstand bezit; maar er zullen toch wel eens gevallen voorkomen, waarin een goede raad van veel dienst kan zijn. En dan moet het u, naar mijn meening, niet onverschillig zijn, van wien die raad of wenk komt."

„Toch niet van vrouwen en kinderen ?" vroeg hij eenigszins spottend.

„Waarom niet? Een vrouw heeft ook haar verstand en oordeel van God gekregen. Zij denken meer na, dan gij vermoedt."

„Och, kom nu niet met God en zulke grooto woorden! Die haal je er altijd bij. Wanneer je me over 't een of ander wilt berispen, dan wordt je dadelijk godsdienstig, 't Zou me niet verwonderen, dat je eens vroom gingt worden en al die klaploopers van het Reveil volgen."

„Je weet best, Evert," zei ze kalm en met waardigheid, „dat ik mij niet hul in een vromen mantel. Wanneer ik van God spreek, dan doe ik dat, omdat ik geloof aan een Hooger Wezen, dat alles bestuurt, het goede beloont en het kwade straft. Ook houd ik het er voor, dat Hij eenmaal alles aan het licht zal brengen, wat in het verborgen is geschied."

„Nu begin je waarlijk nog te preeken! Een mooi ding! Waar bemoei je je toch mee?"

„Met niets, wat mij niet aangaat. Maar je haalt dingen aan, die noodeloos zijn. Ik zei doodeenvoudig, dat het onverstandig is, een vrouw geheel buiten de zaken te laten. Herinner je je nog wel, wat er twee jaren geleden met dien mijnheer aan den overkant is gebeurd? Zijne geldzaken waren niet orde, en toen zijne vrouw hem een raad gaf, volgde hij dien niet op en — 't einde daarvan was, dat hij bankroet ging. Later zeide hij: „Wanneer ik zoo wijs was geweest mijne vrouw niet buiten mijne zaken te houden, zou ik veel verder in de wereld gekomen zijn!" En dus...."

„Och," viel hij haar meesmuilend in de rede, „die geschiedenis heb je me al wel duizendmaal verteld en dient slechts om je op een voetstuk te plaatsen."

„In geenen deele, maar ik ben je vrouw en heb dus rechten. De vrouw is niet een dienstmaagd en bloot belast met de zorg voor

Sluiten