Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had nu een vasten grond. Er kwam zelfs iets, wat op blijdschap geleek, in het hart, dat rouw droeg over haren zoon.

En wat Frans betrof, zijn afwezigheid was thans ook veel minder smartelijk. Hoe ver hij ook afgedwaald was, hij zou — zoo hij nog leefde — wel zijn weg vinden tusschen de doornen en distelen des levens, en evenals zij ervaren, dat de Heiland een Goddelijk leven stort in het hart, dat naar Hem uitziet.

Hiermede troostte zij zich. Maar zij bleef daar niet bij. Het ging haar als de zeevaarders van vroegeren tijd, die, toen zij van verre de schemerende kust zagen van het land, werwaarts al hunne hoop was gericht, zich beijverden, steeds naderbij te komen.

Op zekeren avond kreeg zij zulk een verlangen, een bezoek te brengen aan de familie Gevers, dat zij dit niet bedwingen kon. Het was een stille herfstavond, en daar de kleine Mina sliep, meende zij dat bezoek niet te moeten uitstellen. Zij hoopte nog meer te weten te komen, nog meer licht te ontvangen. Nu had zij dit wel kunnen verkrijgen door haar gansche hart aan den Heiland te geven, maar zoo ver was zij nog niet, en daarom nam zij de toevlucht tot anderen, 't Was wel een omweg, maar die voor niemand, die zijn eigen hart kent, een raadsel is. Wij zoeken zoo vaak van verre, wat wij in onze nabijheid bezitten. Toch blijkt het soms, dat zulk een omweg de weg is. Immers, de eene mensch is voor den anderen, wat de schapen voor de vogels zijn. Wanneer schapen langs een smallen weg tusschen doornen geleid worden, blijven er van hun vacht vlokjes wol aan de spitse bladeren hangen, waarvan de vogels gebruik maken voor hunne nesten.

En Elise had deze vlokjes nog zeer noodig.

Zij besloot dan de familie Gevers te bezoeken, en wilde daardoor tevens hare belofte vervullen, 'tgeen zij zonder veel moeite kon doen, daar die familie dichtbij woonde.

Toen Elise bij de woning kwam, zag zij de dienstmaagd aan de huisdeur staan, en op hare vraag, of mijnheer en juffrouw Gevers te huis waren, werd haar geantwoord:

„Gaat u maar naar boven, mevrouw. Zij zijn te huis."

Elise beklom de lange trap. Op de bovenste trede bleef zij een oogenblik staan, getroffen als zij werd door de zacht klinkende tonen eener piano en van een tweestemmig lied.

Zij luisterde en vernam de volgende woorden:

Van boven moet het alles komen,

Wat leven wekt en leven voedt.

Van boven zijn de regenstroomen,

De morgendauw en zonnegloed.

Sluiten