Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Zij nam haren springstok in haren hand,

Zij sprong zoo zeer op strate ,

ja op de strate ,

Totdat zij aan haar vaders huis kwam ,

En daar wierd zij binnengelaten

al van de strate.

11. De vader tegen zen dochter sprak:

„Waar zijn nu al je rozen ,

ja al je rozen?"

„Vader, waardat mijn rozen gebleven zijn?

En ik hebbe mijn rozen vergeten

al van droefheden:

Mijn zuster is met een landsheer getrouwd,

En ik, mooi meisje fijne,

moet zijn begijne."

I2 „is je zuster met een landsheer getrouwd?

En maak daarin geen rouwe,

ja in geen rouwe.

't Is vele beter een goe nonne te zijn:

Als een landsheers vrouwe,

't zal haar nog rouwen."

13. Als al haar klachten waren gedaan ,

't En koste al niet baten,

ja al niet baten;

Zij nam haren springstok in haren hand,

Zij sprong zoo zeer op strate,

ja op de strate,

Var.: 10, 3 («» ook lager) Ja °P de\ zo° zeer op

11, 5-6 Mijn rozen doen mij pijne,

doen mij pijne.

8. meisje fijne,] inenschje, pijne! —

12, 1-3. De vader tegen zen dochter sprak:

„En laat dat u nooit rouwen,

ja u nooit rouwen.

5. Z,rouwe] huisvrouwe - 13-22. Soortgelijke varianten als in de voorgaande strophen.

Sluiten