Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. riij nam iVJiacnrieije uij naicu iiauu,

En hij smeet ze in de riviere:

„Ligt hier, ligt daar, Machrietje, men lief,

En je ligt in de koele riviere I"

5. Maar door den stroom van 't klaar watertjen Is Machrietje naar Gent gaan varen;

De koopmans van Gent, ze hen Machrietje verkend, En dat al aan haar roode wangen.

6. Machrietje haddede een ringetje aan,

En wat stoeg er daarop geschreven?

Alsdat den stouten ruiter, haar lief,

Hadde Machrietje zoo kwalijk misdreven.

7. Den dag passeerde en den avond kwam aan, Ze hebben den stouten ruiter gevangen;

Ze hen hem in vier kaartieren gekapt,

En aan eiken poort een deel g'hangen.

8. Al die dat niet gelooven en wilt,

En ze meugen al vrij gaan kijken:

Toe Gent, al binnen Sint-Janskapel,

En daar ligt Machrietje te kijken.

10. De kwa Stiefmoeder.

koch - te-dewhaar kind Voor ee - nen zil - ver pen-ning en

VAR.: 5,4 .En dat al] Ze hebben ze verkend — 6,2. geschreven] te lezen — 7.4- ten deel g'hangen] een gehangen — 8,3- Toe Gent, al binnen] Hier bachten , in

Sluiten