Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. „Heb je geen bier, zoo tapt er ons wijn,

En je zal der wel voren betaald zijn van mijn."

6. De weerdin heeft de kan in haar handen genomen, De weerdin heeft de kan in haar handen gepakt, En ze liep er daarmede de trappen af.

7. De weerdinne die was er zoo blijde van zinnen, De weerdinne die was er zoo blijde van zin,

Dat zij liep in den kelder waart uit en waart in.

8. Ze tapte twee kannen, ze teekent er drij:

En al met het mooi maagdetjen aan haren zijde,

En al met het mooi maagdetjen aan haren zijd'.

9. „Weerdinnetje, en is dat je dochtertje,

En of is het een Hollandsch maagdetje?"

— ,,'t En is er men dochter, noch 'ten is er men kind, Maar zij heeft erre mij zeventien jaren gediend."

11. — „Zeventien jaren is menigte dagen,

Zeventien jaren is menigten dag.

En ik wil bij haar slapen, zoo ik wel mag."

12. — „Als gij bij 't mooi maagdetje slapen gaat,

En je moet er wel zeventien trappen optreden,

En je moet er wel zeventien trappen opgaan."

13. Den eersten trap dat zij opging,

En de tranen die leekten van haren aansching.

14. Maar tsnachts ontrent den midderenacht,

En den Keizer die tegen 't mooi maagdetje sprak:

15. „Keert u eens omme en spreekt tegen mij,

Komt en zeg wien dat alle jen vriendetjes zijn."

VAR.: 8 , 2-3. maagdetjen] meisjen — 3. zijd'] kant 11, 3. zoude ik niet mag verbeterd in zoo ik wel mag. — 13, 2. zijnen verbeterd in haren

Sluiten