Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Toe Gent binnen de stede,

Waardat ik gevangen zat,

Waardat ik gevangen zat,

Men moeder kwam van de kerke,

Ze wenscht mij den goeden dag: —

Ja waardat ik bevangen lag.

7. „Wel, zone," zeide zij, „zone,

En is het geen schande groot,

Ja en is het geen schande groot,

Voor een koopmanszone te wezen En sterven zoo een dood? —

Zone, en is het geen schande groot?"

8. — „Wel, moeder," zeide hij, „moedere, 't Is voor mij nog meerder pijn,

Ja 't is voor mij nog meerder pijn,

Voor een koopmanszone te wezen

En zonder geld te zijn: —

Moeder, 't is voor mij nog meerder pijn."

9. — „Wel, zone," zeide zij, „zone,

Daar en was je geen geld ontzeid,

Daar en was je geen geld ontzeid:

De kasse stond wijd open,

Het geld was joun bereid: —

Zone, daar en was je geen geld ontzeid.

10. „Wel, zone", zeide zij, „zone,

En hebt gij nog geld te kort,

Ja en hebt gij nog geld te kort?

Daar zijn vijfhonderd duist guldens,

Koop daarmee uw pardon: —

Zone, en hebt gij nog geld te kort?"

11. — „Wel, moeder," zeide hij, „moedere, 'k En heb er geen geld meer van doen,

Ik en heb er geen geld meer van doen;

lepersch Oud'liedboek. 4

Sluiten