Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Beproefde Trouw.

1. Daar zonder een landsmaagdetje vroeg op gaan staan;

Drij uurtjes vóór den dage zou zij wandelen gaan,

Ja tot ondere de groene linden:

Het was er om haar schoon zoetelief te vinden.

2. Daar kwam erre van verren eenen heere gerejen;

Hij zeider: „Wel, mooi maagdetje, wat maakt gij hier alleen? En plukt gij al die schoone blauwe bloemptjes?

Of telt er gij al de schoone lindeboomptjes ?

3. — „De blauwe bloemetjes en pluk ekik niet, De overschoone boomptjes en tel ekik niet;

Maar ik heb er mijn schoon zoetelief verloren: 'k En kandere geen mare meer van hooren."

VAR.: a, 1. eenen heeré] een landsheere — 2. maakt] doet

Sluiten