Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Maar 's nachts ontrent den middernacht,

Als de weerd lag in zijn ruste,

Alle drij de koopmans zijn opgestaan,

Ze hebben den weerd al gaan ontrusten.

En ze vroegen aan den weerd:

„Waar is uw huisvrouw te vinden?"

En de weerd sprak heel ontsteld:

„Ze is in den kamer al bij hare kinders."

En ze zijn der al zoetjes naar boven getreden,

Ze hen de weerdin haren hals afgesneden.

Maar eilaas! maar eilaas!

Watdan ze met dat kleine kind deden!

4. Het kleine kind in de wiege lag :

't En was maar oud ontrent zes weken;

Het keek zoo vrindelijk en het loeg,

Maar eilaas! 't en konde niet spreken.

En ze namen dat kind zoo vreeselijk stuur,

Ze sloegen 't met 't hoofdetjen tegen den muur,

Maar eilaas! maar eilaas!

Dat de hersens spaarsden buiten de deur.

5. Als de weerd heeft dat aanhoord,

Hij riep zoo vreeselijk: „Laat mij leven!

Ik heb er nog zoo veel geld en goed,

Wil je 't hebben, ik zal het u geven."

En toen riep er den grootsten moordenaar aan: „Houdt hem maar vast, en en laat hem niet gaan!

Maar eilaas! maar eilaas!

De vogel zou ons beklappen zeer haast."

6. En de aarde is opengegaan En hij is daarin verzonken.

En de ander twee mannen op 't zelvige pas, Ze wierden gevangen van den schillewacht.

Maar eilaas! maar eilaas!

Ze wierden te samen vóór de Heeren gebracht.

VAR.: 3, 9. En ze zijn al in den kamer getreden, — 5? 5- grootstcn\\ alschen 3, 5-8. Gezongen als vs. 1-4.

Sluiten