Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. En de Heeren vraagden aan:

„Waar is uwen medegezelle ?"

De koopmans spraken heel stout aan:

„Hij is verzonken al in de helle.

't Is omdat hij van over veel menigte jaren Vele goe menschen heeft kwaad aangedaan;

Maar eilaas! maar eilaas!

God heeft loon naar werken gedaan."

8. Huider sententie wierd gelezen,

Alsdat zij der mosten levende branden Met elk een leeren pekbroek aan,

Afgekapt alle bei huider handen;

En een tonnetje pek met sulfer daarbij: Zo) mosten zij branden op huider bloot lijf;

Maar eilaas ! maar eilaas!

't Was al voor huider kwalijk misdrijf.

9. Als zij wierden opgebrand,

De drij vrouwtjes zijn bijgekomen;

En ze vroegen aan den beul:

„Waar zijn die twee gevangene mannen?" En den beul die sprak met goede manier: „Had je gekomen en je hadt ze gezien.

Maar eilaas ! maar eilaas 1 Ze zijn verbrand al in het vier.

Gaat en vertrekt maar zeere van hier,

Of je krijgt hetzelfde van mijn!"

VAR.: 7, 1. vraagden aan] spraken Italiaanseh — 3. Zij antwoordden, als 't huider paste:

9,9 en 10. Ieder van deze verzen wordt gezongen op de wijze van vs. 8.

Sluiten