Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT.

Zoo deed men den vloek der booze fee Door de macht der goeden breken.

Zoo vlogen voort de dagen,

Zoo snelden heen de weken;

Uit weken werden maanden,

Uit maanden werden jaren.

En in den loop der tijden ging van mond tot mond de sage Dat achter de doornen een kasteel was,

Waar eens een koning troonde,

En dat hier sliep een beeldschoone vrouw, Die eens een prins verlossen zou.

Zoo naderde menig koningszoon,

Om te vinden wat hy zocht,

Om te streven naar het heerlijk loon,

Doch niemand die 't vermocht.

Want drong hg met kracht Door der doornen macht,

Zoo omvingen Hem de takken Om te dringen Hem in 't harte,

En zjj dronken Hem zijn bloed.

Als hy stierf in groote smarten Werd gestild zijn liefdegloed.

Honderd jaren waren eind'lflk nu voorbijgevlogen; Zie, daar komt met stralende oogen Weer een jong'ling, vol van kracht,

Om in 't bosch te jagen.

Als bij ziet der doornen pracht,

Komt het langzaam, langzaam in hem op Als een stil verlangen En hy denkt aan al de sagen,

Die hem in zijn moeders zangen Vroeger wel zijn voorgezongen,

En te scheem'ren 't hem begint Of de sagen — half verdrongen,

Waarheid zijn, — en misschien het koningskind Slaapt in eeuwig zwijgen Achter deze twijgen.

Doch stil! Wat hoort hij? Klonk daar niet Een stem, die zachtjes zong?

Hij luistert, tot het oude lied Diep in de ziel hem drong.

Sluiten