Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niks, en de grootste helft heeft nog niks, je kunt de scha nog best inhalen. Eén heb je in elk geval te pakken." — „Ben je mal, is het snibbig antwoord, 'k heb nog niemendal vent, wat zullen de menschen zeggen, als ik er iederen keer bij door steek." — „Wat heb je dan aan je vinger," glundert hij, meteen wijzend naar het versiersel, door hem een vorig jaar gegeven toen zij zich verloofden. — „Nou ja, als je het zoo bedoelt, „maar dat geeft mij nou niks." — „Watblief? en jij rijdt hier met mij zoo deftig, je konden wel een prinses wezen. Hoor je wel wat de menschen ieder keer zeggen als wij voorbij komen? Straks was er een die zei: wat een knap span 1" — „Och loop rond, zegt Aag, terwijl haar kleur zoo mogelijk nog hooger wordt, dat gold den vos en de tilbury, maar mij en jou niet 1" — „Wis en warempel, schertst Hein, d'r werd nog bij gezegd, een meid als die Aag vindt je zelden." — „Houd je toch stil, luidt het min of meer toornig, de menschen kunnen het wel hooren, en anders spring ik er uit hoor!" — „Hui, hui, dat zou ik wel eens zien willen. Ik mag toch zeker wel zeggen, dat ik jou het mooiste van allen vindt en er voor mij op de heele wereld maar één Aag is?" — „Nou als je het plagen nu niet

laat, dan " — „Wat dan?" — „Dan geef ik je óók nog dien

eenen ring dien ik heb terug en zeg: „adieu Hein, probeer het maar eens met een ander, die er beter slag van heeft om met zoo'n plaaggeest uit te gaan ringrijden." — „Sakkerloot, dat zou wat worden, maar ik denk dat je den volgenden dag tranen gingt schreien als kievitseieren en me handig zoudt vragen: „mag ik hem alsjeblieft terug Hein ?" — „Kan je begrijpen, zegt Aag, en meteen wendt zij

verstoord het hoofd af, dan moest ik ook al doodverlegen zijn."

Zoo schertsend en plagend wordt de derde rit aangevangen. Hein heeft van anderen gezien, dat zij een weinig zijwaarts rijden, zoodat de opening van den ring voor de rijdster beter zichtbaar wordt. Zonder iets te zeggen stuurt hij onder matigen draf in betere richting, en tot beider blijdschap met succes. „Zie je wel, zegt Hein, dat het wat meê valt? Als het maar een keer los is, moet je rekenen, dan gaat het van zelf. 'k Wed dat je er nu iederen keer een pikt. Trek je maar niks van de menschen aan hoor, al te maal boonstaken moet je maar denken. Alleen maar naar den ring zien." — „Kolossaal, wat ben je een held!" zegt Aag, maar ondertusschen is het, alsof zij zelf ook

Sluiten