Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer moed krijgt. Vroolijk lacht zij de vriendinnen toe, die haar geluk wenschen met den uitslag. Als zij straks hoort dat er zijn, die geen enkele maal het doel troffen, dan begint zij ook nog in een mogelijk wélslagen te gelooven. Als de helft der ritten heeft plaats gehad, behoort zij met Hein nog tot degenen die mogen doorrijden.

Allengs wordt de strijd gespannen. Alle deelneemsters krijgen nu bedrevenheid in het werk, maar de keurmeesters beginnen ook nauwkeuriger toe te zien. Als de paarden niet hard genoeg loopen, krijgen zij even voor den paal de zweep over den rug. Hein heeft verzocht dit met den vos niet te doen, omdat hij bang is dat hij hem dan niet houdt, 't Beest is niet gewoon de zweep te voelen, en wordt bovendien onder het toenemend rumoer reeds onrustig. Hij zou voor geen geld ter wereld willen dat er ongemak kwam. Vooreerst niet om den boer, die hem het paard toevertrouwde, en dan niet om Aag, en tenslotte ook niet om hem zelf.

Tegen het einde van den strijd, staat het zwart van menschen. Allen willen hier den afloop zien. Een viertal moet nog kampen om de hoogste prijzen, waaronder benevens Sipke en Trijn, ook Hein en Aag. ,,'t Zal er om gaan", zegt het volk. „Als het paard het winnen moest, dan ging Dekema zijn personeel er meê door, fluistert de notaris tegen zijne vrouw, maar dat meisje wordt zenuwachtig." Nu, daar is ook een bizondere aanleiding voor, haar alleen bekend, en nóg een.

't Is deze, maar het is een geheim en de lezer of lezeres vertelle het niet weer: Onder degenen die nog aanbleven, behoort ook Wiep van Sjouke Blanksma, en tusschen deze en haar bestaat een veete. 't Kwam om de verkeering. Wiep heeft altijd de hoop gehad dat Hein haar vragen zou en op alle manieren het aangelegd om hem te krijgen. Dat is mis geloopen, en nu gaat Aag er met hem van door. Dat kan zij niet hebben, en daarom zoekt zij telkens onkruid te zaaien in het tuintje van Hein en Aag, maar zonder dat het haar gelukt deze twee te scheiden. Dat krenkt haar, en daarom kan zij Aag niet uitstaan, maar moet deze ook niets van haar hebben. Nu worden zij weer elkanders mededingsters. Aan Trijn gunt Aag den mooien krans met toebehooren, expres door mevrouw de Burgemeester uit Leeuwarden ontboden, maar niet aan Wiep. En de gedachte, dat deze haar toch misschien krijgt, maakt hare hand onvast.

Sluiten