Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan met voldoening op den dag terug zien. De leden van „Hallelujah!" die zoowat den ganschen dag in 't getouw geweest zijn, gevoelden zich verruimd, als het laatste stuk gespeeld is. Kleine Jurjen van den slager, die de picolo hanteerde, verklaarde met een woord van waarheid dat hij zijn lippen kapot geblazen heeft en vast in geen veertien dagen aan de repetitie zal kunnen deelnemen.

Vele ouderen keeren thans huiswaarts, maar de jongeren scheiden noode van de straat. Terwijl een gedeelte in „de Jachtweide" of „Vergulde Baars" door het opklinkend strijkmuziek zich laat verlokken, gaan anderen in de „gezonde apotheek" zich nog eens terdege te goed doen aan de verschillende spijzen en dranken, welke hier met vaardige hand worden bereid.

Plotseling wordt bezuiden het dorp de lucht vlammend rood gekleurd. „Daar is brand", wordt er geroepen. Aanstonds spoedt men zich in de richting, door het laaiend vuur aangegeven als de plaats des onheils. „'t Is het Spookhuis", zegt Folkert, die juist gereed staat met vrouw en kinderen, benevens de beide oudsten van „Heerema-State" huiswaarts te keeren. En zoo is het. Eenige brooddronken jongelui uit een naburig dorp, dezelfden naar men zegt, die somtijds late avondwandelaars hier een schrik op het lijf jagen, hadden de aardigheid nog niet af van de pret. Met een ledige teerton zijn zij huiswaarts gekeerd, om deze te midden van de bouwvallen van het Spookhuis te doen ontbranden, en zoo het laatste wat er van de voormalige heerlijkheid is overgebleven, in rook en vlammen te doen opgaan. Eigenlijk staat hier niets op het spel. Aan ouden Bart, die reeds met een lantaarn torenwaarts getrokken is, om de brandklok te luiden als, sein voor de spuitgasten, wordt dan ook in allerijl bericht dat hij dit niet behoeft te doen. Men zal de zaak maar stil laten uitbranden. Als onder donderend geraas de hechte muren, die zooveel eeuwen den tand des tijds verduurd hebben, ineen storten, is meteen een einde gemaakt aan de nachtelijke tooneelen, welke hier soms zouden worden afgespeeld. En vrouw Struik heeft dien avond bij het naar bed gaan tegen haar „oude" gezegd: „'k heb er niks meer of minder om, maar 't is in mijn oog niet het minste van dezen dag, dat aan het bestaan van dat griezelig gebouw een einde is gekomen, als de dooden daar nu ook maar rust mogen vinden."

Sluiten