Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen had het eene woord het andere er uitgehaald. Ten slotte had Dekema gezegd, dat het voor hem nog eene open vraag was, oi al de gelden welke tot nog toe door Kerkvoogden beheerd waren, aan dit college wel toekwamen, en niet een belangrijk deel hoorde bij de pastoralia, zoodat dit dan den predikant toekwam, 't Gevolg was geweest dat hij, Smynia, weer voor een enkele keer met de vuist op de tafel geslagen had en gezegd, dat zoolang hij president-kerkvoogd was, nooit in der dagen één cent zou worden uitgekeerd, nóch aan de Christelijken en hunne liefhebberijen nóch aan den dominé, onverschillig wie het was, of tot welke richting hij behoorde. Wat het eerste betrof, men kon elk gelooven laten wat hij wilde, ook in de heidenwereld, want die menschen waren op hunne wijze even gelukkig als de blanken in Europa, terwijl de Staat voldoende zorgde voor goed onderwijs. En wat het predikantstraktement aanging, t was al mooi genoeg dacht hij, f 30 in de week met vrij wonen en een grooten tuin, en dat voor een paar preekjes met nog eenige kleinigheidjes. Drommel nog toe, dan moest hij en zijns gelijken nog al wat anders doen om een bestaan te hebben en te houden. Dat begon 's morgens voor dag en dauw en dat eindigde 's avonds als de zon in het nest kroop of nog later, vooral in den kalvertijd.

Hij twijfelde dan ook niet of Jongema met al de notabelen zou het ten volle met hem eens zijn, dat de palen niet verzet moesten worden, maar de Kerkvoogdij het voetspoor had te volgen van hare voorgangers, die ook altijd in deze richting hadden gewerkt.

Onder al deze woorden was Dekema kalm gebleven. Alleen had hij geantwoord, dat het zijne roeping was om te getuigen, ook in dit college. Moest hij voor de overmacht zwichten, welnu, hij zou daarin berusten, maar recht was recht, en, naar hij de dingen nü inzag, was dit reeds jaren lang in de gemeente, vooral betreffende het beheer der goederen, gekortwiekt. Ook als Kerkvoogd, — dit was zijn heilige overtuiging, — zou men eens rekenschap hebben af te leggen, van de wijze waarop de gemeente is bestuurd, en dan wenscht hij voor

zich vrij uit te gaan.

Jongema had daar op niet veel gezegd, alléén, dat hij het in Dekema heel goed hebben kon, dat deze zoo openlijk voor zijn beginsel uitkwam, en ook niet wilde beweren, dat zijn verzoek onbillijk was.

Sluiten