Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is tegen achten als Jongema en vrouw aan de zijdeur van „Heerema-State" aanbellen. Bij avond zit de deur op den ketting, met het oog op nog al eens voorkomend laat bezoek van bedelaars en landloopers. Komen deze voor den donker en zien zij er niet al te verdacht uit, dan wordt hun gewoonlijk een slaapplaats in het hooi verleend. Als echter de lamp ontstoken is, worden er geen gasten meer opgenomen.

Aag is juist in de keuken bezig met afwasschen en zingt het hoogste lied, als het metalen geluid door het huis galmt.

„Wat mag dat nu nog wezen", zegt zij, en gaat meteen op kondschap uit. Nauw heeft zij evenwel door het roset gevraagd: „wie is daar ?" of de ketting is ook al los en de bezoekers worden ingelaten. In het maanlicht zag zij het gouden oorijzer van vrouw Jongema blinken, en dat zei haar genoeg.

„N'avond Aag, is de boer ook thuis?"

„N'avond boer, n'avond vrouw, ja, kom maar gauw binnen."

In de woonkamer is de tafel juist afgenomen. Ernst, de oudste der kinderen is nog op, om even de muziekles voor morgen te repeteeren. Zachten liefelijk klinken de toonen uit het mooie orgel. Boer Dekema heeft de Goudsche pijp gestopt, en zich gemakkelijk in zijn leuningstoel gezet om zijn courant te lezen.

„Wel heb je van je leven" zegt Dekema, als hij met een vergenoegden glimlach opstaat, „al wat ik verwacht had, maar niet dat jullie nog zouden komen; hoe later op den dag, hoe schooner volk geldt hier." —

,,'k Hoop niet dat wij al te ongelegen komen" is Jongema's bescheid, „maar ik had een klein boodschapje, en nu wilde mijne vrouw even „meêloopen."

„Heelemaal niet, ik ben blij dat er eens iemand komt, en beiden ben je hartelijk welkom. Aag, zorg je even voor een warme stoof, en zet meteen wat theewater op, dan drinken wij samen nog een kopje thee".

„Niets geen drukte", zegt vrouw Jongema, „we zijn ongenoode gasten en zitten niet lang."

„Het is geen drukte vrouw, zegt Aag, water is er genoeg en de boer lust 's avonds ook nog wel graag een kopje thee. Geef mij de hoed en boa maar even."

Sluiten