Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt gemerkt, dat hij een heel ander mensch is dan voorheen.

Reeds heeft de oude Friesche klok het uur van tien geslagen, voor den boerenstand een ongewoon laat uur, als Jongema en vrouw opstaan om huiswaarts te keeren.

Bij de deur wordt hartelijk afscheid genomen, „'k Hoop dat jullui spoedig eens terug komt, zegt Dekema. De lange winteravonden komen straks, en dan is het mij een verkwikking met trouwe vrienden te spreken".

„We beloven het je, is 't antwoord, en je weet dat onze deur ook voor je open staat." En in de handdrukken die gewisseld worden ligt een beteekenis, die deze vroeger niet hadden.

Duizenden vriendelijke sterren lonken van verre en verlichten het pad waar langs de terugweg naar „Olga-State" wordt ondernomen.

„'t Is maar zoo het is, zegt Jongema, maar ik vind Dekema toch vrij wat aantrekkelijker dan Smynia, al is hij dan ook duizendmaal orthodox geworden." —

„Nu dat zou mij ook wat schelen, merkt zijne vrouw op, ik weet niet wat het is en hoe het is, maar daar is iets in die huishouding, zelfs onder de kleintjes, dat mij aantrekt. Ik voor mij wenschte wel, dat het bij ons zoo was. En wat is daar alles op orde 1 Je moet er versteld van staan. Aag liet mij de linnenkast zien en de wasch van de vorige week, maar het is alles even keurig net. 'tKan niets schelen waar je komt, in de keuken of in den gang of in de kamers, 't ziet er alles even helder uit als toen vrouw Dekema nog leefde. Zoo'n meid is toch geld waard." „Weet je hoe dat komt?" zegt hij, „daar wordt niet gediend om geld, maar zij voelen daar alles voor elkaar en daarom gaat het zoo van zélf. Ik ben niet fijn, maar je wordt daar onwillekeurig herinnerd aan wat we laatst in de kerk zongen: „Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen, Daar woont Hij zelf, daar..." — ja verder ken ik het niet; hoe is 't haast ook verder?" —

En vrouw Jongema vult aan : „Daar wordt Zijn heil verkregen, En 't leven tot in eeuwigheid." —

„Ja juist: „het leven tot in eeuwigheid." — „Tot in eeuwigheid, 't Is vreemd, ik kan er niet bij. Maar het is mooi voor die het heeft en het gelooft." —

En straks slapen beiden in, terwijl het nog voort ruischt in hunne ziel: „en 't leven tot in eeuwigheid 1"

Sluiten