Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrij wat liever in den kring der Waarheidsvrienden zijn, die op ditzelfde uur in de Christelijke School vergaderen. „God kan met een krommen stok nog wel eens een rechten slag slaan", pleegt hij te zeggen, en wordt hij door het gepredikte woord of het gebed niet gesticht, dan kan het psalmgezang zijn oude ziel nog wel verkwikken. In elk geval wenscht hij zijn post niet te verlaten, tenzij hij door Hooger hand wordt afgelost, en hem gezegd wordt dat zijn dagtaak hier beneden voleindigd is.

Intusschen komt er van lieverlede meer beweging in het dorp. Als het gebruikelijke „kwartier" geluid wordt, komen van alle kanten de kerkgangers uit hunne woningen, de meesten met het kerkboek onder den arm, een enkele met de kerkstoof in de hand, van welke het koperwerk glimmend glad gepoetst is.

Bij de Jachtweide staan de rijtuigen van Smynia en Jongema. Met een kort „goeden morgen" groeten de beide kerkvoogden elkander, om dan samen de Kerklaan in te slaan, terwijl de vrouwen vooruit loopen.

„Prachtig herfstweer, zegt Smynia als hij met een zijdelingschen blik zijn collega aankijkt, maar weinig kerkgangers naar ik vrees; ze zaaien weer als musschen op den dorschvloer, naar die school toe."

Met deze laatsten worden natuurlijk allen bedoeld, die van de moderne prediking niet gediend, het woord van meester Vermeulen zullen gaan beluisteren.

Jongema kan bij deze laatste opmerking ter nauwernood een glimlach onderdrukken, niet het minst om het beeld dat Smynia gebruikt. Persoonlijk is het hem natuurlijk veel te min om ook derwaarts te gaan. Voor geen geld zou hij zijn prestige willen verliezen, door zooals Dekema, met de orthodoxen te gaan, maar toch is er iets, hij weet zelf niet wat, dat hem tot die menschen aantrekt. Vandaar dat hij dood kalm antwoordt: „'t schijnt wel dat zij daar voedsel vinden."

„Daar heb je het al weer denkt Smynia; altijd partij kiezen voor dat volk. Met der tijd zelf nog fijn worden".

„Ik zeg maar, dat het gewoon weg een schandaal is, vervolgt hij dan. Ze moesten dien gebochelden schoolmeester het dorp uitjagen. Nergens anders om te doen dan de gemeente te verwoesten. Ds. de Haas is toch warempel ook geen kwajongen en het aanhooren wel

Sluiten