Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zes- of achttal leerlingen ingenomen, dienen thans tot zitplaats der volwassenen. In een hoek staat nog altijd de oude, groene tapkast, indertijd uit den inventaris der oude herberg gekocht, om als aandenken bewaard te worden en tevens te dienen tot bergplaats der leermiddelen. Naast den katheder staat een klein harmonium, door vriendenhand voor jaren aan de school geschonken, waarmee de directeur van „de Lofstem" straks den zang begeleiden zal.

Onder de aanwezigen is alle verschil in stand en rang weggevallen. Antje van den poldermolen zit naast de juffrouw van den meester; oude Struik naast Dekema. Hein Winkel zit achteraf, om bij het heengaan aan de deur in een koperen bekken de collecte in te zamelen. Alles getuigt hier van grooten eenvoud, maar tevens wordt men hier de gemeenschap der heiligen gewaar. Men is hier zoo echt huiselijk bijeen, doch wat vooral deze eenheid bevordert, dat is het gemeenschappelijk verlangen naar het levende Woord. En dat wordt hier gebracht.

Klokke negen treedt meester voor het bordje, 't Mag misschien een weinig vreemd klinken als zoo meteen gezongen wordt:

Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot O Heer der legerscharen God Zijn mij Uw Huis- en Tempelzangen.

Hoe branden mijn genegenheên Om 's Heeren voorhof in te treên,

waar hier immers, althans wat het uitwendige aangaat, zoo weinig gevonden wordt wat op den tempel gelijkt, naar welke de vrome zanger onder Israël zoo verlangde, maar aan de wijze waarop deze oude psalm gezongen wordt is het merkbaar, dat hij weergeeft wat er leeft in veler hart. En als dan daarop het tweede vers volgt:

Zelfs vindt de musch een huis o Heer!

De zwaluw legt haar jongskens neêr In 't kunstig nest bij Uw altaren.

Bij U, mijn Koning en mijn God,

Verwacht mijn ziel een heilrijk lot

dan denkt niet één op dit oogenblik er meer aan dat men „maar" in

Sluiten