Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

rET het mooie weêr kan 't wel eens gedaan zijn Folkert, |\/| zegt Hein den volgenden morgen, na den gewonen groet JL V JL tot zijn buurman, als zij tegen een uur of vier voor de zooveelste maal naar „Heerema-State" gaan.

„De wind huilt zoo op den schoorsteen en kruipt al maar naar 't Zuiden. Moeder klaagt ook weer vrij wat over haar schouder, en dan weet ik wel hoe laat het is."

„'k Denk het ook, is 't antwoord, 't zijn al te maal „Makkummers" ») in 't veld, wat gewoonlijk van den zeekant niet veel goeds voorspelt".

„Nu, wij hebben het lang mooi gehad, zoodat wij niet mogen klagen. Het gras is haast ook op. Er is dus ook niet veel meer te bederven, 'k Heb aan den boer wel gemerkt dat hij geen plan heeft het land stuk te laten trappen, zoodat het vee dus ook wel spoedig op stal zal komen".

„'t Wordt al nat geloof ik", zegt Folkert.

Na weken lang het schoone Herfstweder te hebben gehad, onder begunstiging waarvan al de arbeid op het land naar welgevallen kon worden volbracht en gansch de oogst binnengehaald, vertoonden zich thans al de teekenen van een kentering in de weergesteldheid. Een grijsgrauwe lucht, met breede waterzoomen, hield het zonlicht verborgen. Weldra kletterde de koude regen met kracht tegen de ruiten, en loeide de wind over de vlakte, meteen de takken der boomen

') Zeemeeuwen, aldus genoemd naar het Friesche kustplaatsje Makkum •

Sluiten