Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel vindt hij dit een oplossing, maar dan blijft de geschiedenis uit het derde hoofdstuk hem zoo onverklaarbaar en in strijd met de Godsgedachte. Spotten doet hij nooit, tenminste niet met heilige dingen, maar gewoonlijk eindigt hij met het hoofd te schudden, en te zeggen: „'t wil er bij mij maar niet in, meester."

Wat het leven na den dood betreft, ook daarover kan hij zich geen voorstelling maken. Dat het met den mensch uit is, als hij van deze wereld voor goed afscheid genomen heeft, gelooft hij niet. Dat de menschelijke geest blijft doordenken en doorwerken in een anderen, hoogeren bestaansvorm, is hem het aannemelijkst. Dat er op de eene of andere wijze eene toekomstige vergelding zal zijn, waarbij gemaaid wordt wat hier werd gezaaid, staat bij hem vast, maar waar, en op welke wijze, en door wien, en met welke gevolgen die rechtspraak gehouden zal worden, is hem duister.

Soms komt het wel verzekerd geloof der kinderen Gods hem zeer begeerlijk voor. Hij heeft al aan heel wat sterfbedden gestaan, van welke de menschen vaak op even veel verschillende wijzen van hier gingen. Hij heeft gestaan naast de stervenssponden van volslagen ongeloovigen, van totaal onverschilligen, van de zoodanigen die geheel gevoelloos waren voor hetgeen met hen stond te gebeuren, als zij de groote reis naar de geheimzinnige eeuwigheid hadden te ondernemen, van vrijdenkers en Godloochenaars en van dezulken die gedurende hun gansche leven hunne heerlijkheid in hunne schande hadden gezocht. Bij welken er een nauw verband was tusschen de zonden van het leven, en hunne krankheid en dood.

Maar hij had ze ook gekend, die in de laatste oogenblikken van hun leven met reikhalzend verlangen uitzagen naar de stad der erfenis, wier paarlen poorten en gouden straten niet zelden door het brekend oog aanschouwd werden, dat voor deze wereld had afgedaan.

En hij kon het zich niet ontveinzen, dat hij in de laatste gevallen meermalen iets gevoeld heeft, dat veel op een verlangen geleek, om eenmaal ook aldus te mogen heengaan.

Zoo is het hem geweest aan het sterfbed van vrouw Dekema, zoo was het hem ook toen hij in de dorpspastorie getuige was van het rustig afscheid van Ds. Veringa, toen deze de groote reis ondernam van welke niemand terugkomt. Och, zoo is het hem zoo menigmaal

Sluiten