Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken de pijpen nog eens gestopt, en dan is het oogenblik aangebroken waartegen Smynia heimelijk opziet, omdat er voor de toekomst zooveel van af hangt. Toch moet het groote woord er uit en is het: nu of nooit.

Na een korte pauze vraagt hij daarom de aandacht der heeren nog voor een ander punt.

Opeens staken de gesprekken. Allen weten of begrijpen dat er iets belangrijks aan de orde komt.

„'t Zal den heeren wel duidelijk zijn, dat door den Kerkeraad nu zoo spoedig mogelijk zal worden getracht de vacature vervuld te krijgen, zoo mogelijk door een orthodoxen dominé. Het spreekt van zelf, dat dit zijn recht is, maar nu acht hij den tijd gekomen om te overwegen, of daar niet een stokje voor gestoken moet worden. Hij oordeelt dat het den laatsten tijd in Longerga een glad verkeerden kant uit gaat. Sinds die Christelijke School er gekomen is, wordt op allerlei wijze verdeeldheid gezaaid. Door allerlei vereenigingen worden de jongelui als het ware van moeders pappot af volgepropt met allerlei godsdienstige ideeën, waar men vroeger zoo niet van af wist. Ook op maatschappelijk gebied heeft dit zijn invloed. Hij wil niet zeggen dat die Christelijke Werkliedenvereeniging nu aanstonds zulke booze plannen heeft; als het er aan toekomt, houdt hij nog meer van die soort lui dan van de socialen, omdat die zoo onverschillig zijn en zelfs durven beweren dat eigendom diefstal is, maar dit neemt niet weg, dat de palen op elk gebied verzet worden, zoodat er een algeheele omkeering is te wachten, wanneer dit woelen en werken niet wordt tegengegaan. Het meest van allen hindert hem die preekerij in de School, als de moderne ringdominees hunne beurten waarnemen. Het is een ergernis te zien hoe die voor ledige stoelen en banken staan te preeken, terwijl de school prop vol is. Hij acht het gewoonweg een schandaal, en kan nooit begrijpen hoe fatsoenlijke, ontwikkelde menschen, — hierbij ziet hij Dekema met een scherpen blik aan — tot zoo iets kunnen meêwerken. Hij heeft altijd gemeend dat het niet meer dan plicht was, dat men de overheid eerde, en vooral de officieële personen die eerbied en hoogachting toedroeg, welke hun krachtens ambt of positie toekomt. Dat heeft hij zélf altijd, jegens allen gedaan. Zoolang Ds. Veringa hier predikant was, heeft hij hem hoog-

Sluiten