Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als het een oogenblik stil geworden is, vraagt Dekema ook een woord te mogen zeggen. Zonder eenige scherpte herhaalt hij de woorden door Smynia gesproken met het oog op hem. Dat er fatsoenlijke en ontwikkelde menschen in de gemeente zijn, die met de zoogenaamde Christelijken optrekken en bijv. des Zondags de samenkomsten in de school bijwonen. Wat dat eerste betreft, hij dankt Smynia, dat deze hem in elk geval nog tot dezen rekent; een opmerking, die Jongema later met smaak thuis heeft verteld, en naar zijn zeggen, den voorzitter het bloed naar het hoofd joeg. Wat evenwel dat andere aangaat, ook Dekema heeft altijd gemeend dat het niet met elkander te vereenigen was: zijn verstand te gebruiken en te gelooven zooals de rechtzinnigen dat belijden. Al den aanwezigen is bekend, met welk een toewijding hij voorheen geijverd heeft voor de vrijzinnige beginselen en in haat en vijandschap tegen alles wat de belijdenis lief heeft, voor niemand onder deed. Tot hij een ander inzicht in de meest belangrijke, de allerhoogste dingen kreeg. Toen is het deksel van zijn oog weggenomen. Toen heeft hij gezien hoe schrikkelijk hij zich vergrepen had aan het werk Gods, en als een Saulus van Tarsen heeft gewoed tegen de gemeente des Heeren. Toen is de Heer hem te sterk geworden. In de golven der smart is zijn trots vernederd, en sinds dien tijd is hij een ander man geworden. Met smart denkt hij aan het verledene terug en bij de gedachte aan alles wat hij voor en na tegen degenen die God naar Zijn Woord vreezen, ondernomen heeft, is er maar één ding dat hem troost, nl. dat hij het in zijne onwetendheid deed. Hij behoeft deze dingen niet onder stoelen en banken te steken. Allen weten van deze verandering bij hem. Tegen ieder heeft hij zich verklaard voor zoover dat noodig was. Het heeft hem veel strijd gekost, afstand te moeten doen van zooveel dat hem lief was, maar voor al de schatten der wereld zou hij niet terug willen op den weg, eens bewandeld. Evenwel kan hij zich goed begrijpen, dat anderen, wier oogen voor dit alles nog gesloten zijn, zich deze verandering niet kunnen indenken. Dat zij ook niets geen aantrekkelijks vinden, in hetgeen hem nu boven alles dierbaar is. Het is daarom ook niet zijne bedoeling hen hier hard over te vallen, al wenschte hij vurig, dat allen waren gelijk hij is. Op één ding meent hij evenwel ook als Kerkvoogd recht te hebben de aandacht te vesti-

Sluiten