Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar is in de laatste dagen een wonderlijke verandering in het leven dezer vrouw gekomen. Sinds het laatste gesprek met vrouw Winkel, op dien regenachtigen morgen, heeft het al maar door in hare ziel geklonken, dat een mensch geroepen is om voor anderen ten zegen te zijn, en dat zij dit ook nog wel wezen kan, ondanks ouderdom en nederige positie. Haar gansche verleden is af en toe aan haar geestesoog voorbij gegaan, met al zijn droeve herinneringen, óók met zijne zonden, óók met zijne zegeningen, al heeft zij deze laatste nooit op prijs gesteld, noch véél minder dankbaar gewaardeerd. Toen is met haar gebeurd, wat met elk gebeurd, die zoover gekomen is, — toen kwam er spijt, toen kwam er berouw over die vervlogen levensjaren, in welke geen enkele, blijvende vrucht was geoogst. Wat zij anders niet gemakkelijk deed, heeft zij toen gedaan, — zij heeft in haar eentje zitten schreien. Maar nu kwam meteen een andere begeerte boven. „Als er nog wat goeds van haar terecht zal komen, dan wordt het tijd", heeft zij Maandag tegen Smynia gezegd. Welnu, zij is gaan denken op welke wijze er van haar, de arme, verachte, miskende, onbeminde bolleloopster nog iets goeds kan komen.

En toen is zij begonnen met allereerst in eigen huis een anderen toon aan te slaan, tot niet geringe verwondering van Struik, die, geheel tegen de gewoonte in, een prijsje kreeg, omdat hij bij haar thuiskomst de stoof altijd zoo lekker warm, en de thee zoo heerlijk bruin had. Maar toen begreep zij ook in wijderen kring den zegen te moeten verspreiden, dien zij te geven had. Eigenaardig was het, hoe de menschen, — en zij kwam met velen in aanraking — merkten dat er iets bij haar had plaats gegrepen. Sommigen konden hunne bevreemding niet verbergen, maar vroegen haar hoe zij zoo vroolijk keek, of waardoor het kwam, dat zij zoo moedig was. Dan lachte zij, of maakte zich handig weg. Een enkele, vrouw Winkel bijvoorbeeld, en Folkerts Anna, heeft zij het dezen zelfden morgen verteld, dat zij iets begrepen heeft van die preek, door meester Vermeulen Zondag gelezen, waarin iets voor kwam van vrucht dragen. Haar leven is jaren lang dor en onvruchtbaar geweest, ook al doordat zij meende van elk verstooten en vergeten te zijn, maar zij begint nu te gelooven, dat ook zij iets kan dóen in de wereld, omdat zij de liefde Gods heeft leeren verstaan, die ook haar niet voorbij ging, maar tot hiertoe

Sluiten