Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wierp ze alles, wat haar restte in 't leven,

— Verzuchtende of zij meer kon geven I

Haar penningske in Zijn offerkist.

Geen Earizeeuw of Schriftgeleerde, Die luid Jehovah's naam vereerde, "Wien onder 't breedgezoomde kleed Een hart sloeg, deelende in haar leed.

Te nietig was ze in 't oog diergrooten, Die de armen uit Gods hemel sloten: GeeD, die een vriendlijk woord haar schonk,

Geen blik, die tot haar nederzonk

Maar 't penningske was niet verloren! Wat kleen en arm was en veracht In de oogen van een dwaas geslacht,

Dat kleene heeft zich God verkoren

En Die 't getuigde, vrouw, is daarl S Juni 1846.

Hij rijst in 't midden van de schaar, Uw offer heeft genaê verkregen! Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen, En 't vse^d is eeuwig, trouw en waar:

„Voortfimr, Ik zeg u, de enkle penning Van deze weduwvrouw geldt meer, In 't heilig oog van d' Opperheer, Bij wien geen maat is of miskenning. Dan 't geen heel de offerkist bevat, O rijken, van uw trotschen 6chatl Den overvloed is veel gebleven, Maar deze heeft, in God verblijd, Haar laatste nooddruft Hem

gewijd

En de englen hebben 't opgeschreven In "t heilig Boek van 't eeuwig leven,— Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon: „Dien penning hebt ge Mij gegeven," Verklaart Gods eenig groote Zoon.

LOUISE DE COLIGNY.

Hier leeft de dochter, weeuw ea moeder van de Helden, Die goedt en bloedt voor Godt, voor staet en vryheid stelden.

GEE&AABDT B&AM)T.

O, breek den sluimer nitt van 't moegedarteld wichtje!

De moeder beurt het hoofd van 't blozend aangezichtje

ïïaars lievlings op naar God den Heere; "t brekend hart Begeert, aan 't vragend oog zelfs van haar kind ontheven,

Begeert zich-zelf alleen voor de Almacht lucht te geven,

Alleen te zijn — met al zijn smart.

Helaas, de droefheid schept somtijds een wreed behagen, Te wroeten in de wond, der teêre ziel geslagen,

Haar rampen voor zich-zelf te ontleden, iedren drop Der bittre kelk opnieuw te smaken; maar ook 'tlijden Wordt in die worstling vaak een zegevierend strijden,

Een zielsbeê — iedre harteklop.

Het lijden geeft iets groots, zelfs aan bedorven zielen;

Maar zalig, die in "t leed geloovig nederknielen!

De vrouw, die bidt en schreit, is voor den Hemel schoon. Een reine bruidskrans moog der ensrlen oogen boeien,

Sluiten