Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O wist gij, welk een heidie taal Daar uit uw blikken sprak,

Toen in die gioote, holle zaal Mijn hart van weedom brak;

Toen 'k riep: Odéons zaalgewelf. Zink op den stomling neerl —

Toen "k twijfelde aan mijn ikheid zelf, A.ls aan de fabelleer.

Uw blik was noordstar voor mijn ziel; Kompas op d' oceaan;

Een vuurbaak der verdoolde kiel Bij 't bruisend golvenslaan.

'k Was haast in eigen drift gestikt, Uw hand hield mij omhoog!

Uw vriendschap heeft mij meer verDan watertoog bij toog. (kwikt.

En holde ik, als een schichtig ros, Itaalje en Hellas door.

Kooit hield uw hand den teugellos. Maar hield mij steeds in't spoor.

Gij hebt d' ontembren knaap getemd, Hoe bandloos, woest en wild,

Den bergstroom, in zijn vlucht, gestremd, —

Keen meer! m\jn angst gestildI

En dies, ik zweer bij d' ouden Styx, Bij d* onderaardschen troon,

Of erger nog bij 7T en x.

Kwadraat van Polygoon;

Bij 't ondergaan der Westerzon, Voor 'tGothisch roovrenzwaard

Bij 't lange liaar van Klodion, En Meroveüs baard!

Ja, Tt zweer u bQ den duursten eed: (Een eed in de elfde macht!)

Dat ik mijn algebra vergeet, Mathesis diep veracht!

Dat 'k eenmaal druipe als't grootste In mijn promotiekleed, (lek, Ja, — breek de zenuw van mijn nek Zoo "k immer u vergeet 1

Yergeten ? — hoe, wie uit dien klank,

Dien rauwen dissonant? Vergeef, o lievling van mijn zang,

Kog eens mijn onverstand! Gij waart mijn goede geest, mijn Mij onvergeeflijk waard! (vriend, Uw trouwe zorg heeft meer verdiend. Maar 'k heb niet meer — Aanvaard!

Ku zweef, o lied, o wensch, o beê Eens boezems, meer dan vol, Vlieg over IJ en Zuiderzee,

Kaar 'toverdierbaar Zwol!

Daar Muze, vindt ge een huis, een hart,

Ga ombejschroomd, mijn lied! Heeft mijn Latijn dien blik getart... Mijn verzen vreezen niet.

O zie met da eigen vriendschap neer,

En luister naar mijn toon, En vraagt en eischt g(j altoos meer, Ddt zij mijn heerlijkst loon.

Ja dan wellicht, bij 't knappend vuur

In 't hoekje van uw huard, Wordt menig vers in 't avonduur Kritiek en scherts bewaard!

Maar zoo mijn hart, u trouw verMijn onvermoeide luit (knoc,h\ Haar teerste wenschen slaken mocht.

Dan riep ik schaatrend uit: Uw vriendschap blijf mijn loon, mijn kroon!

En—noem dien wensch niet laf!—Keem gij nog eens mijn oudstqa zoon Zijn Staats-examen af!

Sluiten