Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verbiê de lava dat zij gloei'; do bergrivier Dat zij door 't groene aal, fel kronklend, bruis' en zwier'; Of zeg aan gindsche ster, dat zij haar fakkel blussohe I

Neen, ga naar 't strand der zee, bij 't barnen op de kust, En spreek den hoogen vloed dat hij 'in eb verander';

Of breng, wanneer gij kunt, den storm, do golf tot rust — En keer dan met uw raad begrijpen wij elkander ?

De maandroos weet wel, dat zij spoedig leeft, en kort;

Maar kan zij dies bedaard, met overleg, gaan bloeien ?

Of wel, haar jonge blos van zachter kleur doen gloeien,

Omdat haar vonnis luidt: wees schoon en — ras verdord 1 Gelukkig prijkt ze een uur op frisschen maagdeboezem,

Pas juicht zij in die gunst, of roeds bezwijmt haar gloed — Mijn jeugd, mijn fantazie is ook oen lentebloezem,

Die op de trouwe borst der Muze sterven moet.

Het zij! Ze heeft zich mij, ik heb mij haar gegeven;

Zij bleef, waar menig droom en dierbro mij ontvlood, \\ ie scheurt ons van elkaér ? Geen vrienden-raad, geen dood! Onsterflijk als de ziel zal ze eeuwig met haar leven.

En, schoon zij do Eva waar', wier lelieblanke hand Mijn ziele laven dorst met streng verboden vruchten,

Een ballingschap mot haar is mij een vaderland,

En zonder haar zou ik een Paradijs ontvluchten 1 184». J

Or EEN VERTELENDE SOIREE.

Als ik — een jonge slaaf van de oude Maatschappij En ons charmant verkeer — gehoorzaam aan de wettai En wat men plicht noemt en fatsoen en etiketten,

Mij-zelven treiter, en een avondje, een partij Met twintig andren mee moet rekken en bederven,

Waar mij mijn liefste vriend, in feestgewaad, verveelt, Als ik wou heengaan of wou slapen of wou Bterven, En eindlijk — om het niet voor eeuwig te verkerven — Mijn blijde trekken plooi of 't in mijn kiezen scheelt: Dan denk ik dikwijls, om mijn geestje te vertreden, Aan de oude feestjes op het dierbaar Muiderslot; Aan d' oudorwetschen zang, de minnelijke zeden,

Gezegend en bemind bij onzer vaadren God 1 Aan 't geestig lied van Hooft en de Italjaansche wijnsa, Die vloeiden langs den disch; aan Tesselade's knie, Die bij 't verliefde vuur van 's Drossaarts poëzie Barlaeus zachtkens stiet, wiens blijde minnepijnen

Sluiten