Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontwaakten, joliger dan ooit, daar t achtbaar hoofd Van Vondeï lustig schudde en hij het geurig oott, — i)ie pruimpjes. waarvan Hooft aan Tessel heeft geschreven,

Dat zij verlangden naar heur frisschen rozenmond En riepen in den hof: ei pluk ons, kom terstond! —

Daar hij de zoete fruit haar lachend aan mocht geven.

Ik zie haar muiltjes onder tafel, naar de maat Van >'t lustig watertjen" al tripplen op en neder,

Daar Huyghens vast bepeinst of Tessels oog zoo teeder

Als geestig schittert in 't verstandige gelaat.

Hoor' Roemer roemt den wijn zoo kostlijk als de zangen,

En fijn ge>iik de scherts, die al de spijzen kruidt;

En ieder heeft de kleur der blijdschap op de wangen.

Elk bracht zijn liedje mee, zijn liefjen en zgn luit!

Daar schuift de schalke Drost het hooge venster open En klaagt, dat hem de herfst, geen nachtegalen zond In 't heerlijk woud, bij zulk een zachten avondstond,

En ziet zijn Tesseltje «an, vol scherts en liefde en hopen;

't Is of zijn oog haar smeekt, of zij den nachtegaal Niet wil vervangen in zgn feestelijke zaal.

Zij. die met de engelen verdient partij te zingen!

En zij begrijpt hem. Eerst als 't koeltje van den nacht Vloeit noot op noot haar van de lippen, balsemzacht;

Straks maakt zij u beschaamd, o zanger der seringen, Zoo hoog-weiluidend stijgt haar vnendlgk hed, zoo zoet En teeder, als uw jongste, uw schoonste lentegroet;

Vos hoort den weerklank van Ausoonje's veldschalmeien.

Barlaeus meent zich op <T Olympus, brj de goon,

En vader Vondel, in verrukking van dien toon.

Denkt aan zijn Paradijs en dicht zijn englenreien ! -

En ^ ontwaak uit zulk een droom! Weor zwerft mijn oog

De stijve rnen langs der vakerige vrinden ; _

lk kan geen lief gelaat of levend oog meer vinden,

En sla. in wanhoop schier, mijn blikken naar omhoog. . .. Wie, Jonkers I zal ons met een lied van Hooft verrassen . Wie, Dames, wie van u zou Tessels muiltje passen Augustus 1849.

naschrift.

•kWeet nu een kleinen, vluggen voet, | Roept de eignares: foei neen, o neen! Wientoch dat muiltje pas'en moet. En wip! z,j vlood, toen ik verzocht, Maar rit bescheidenheid alleen, I Of ik 't haar dan eens passen mocht!

Sluiten