Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Heb menig uur gevloekt, dat ik u toe moest hooren:

Gij, d"aze, waart mijn afgod nooit!

Maar ook, mij bleef geen God, geen Hemel mij, daarboven: Mijn hoop was met mijn ernst als ijdele asch verstoven,

Die op den storm wordt uitgestrooid!

'k Begreep het raadsel niet van *s menschen lotbestemming:

Het leven was me een droom, en de aarde eon droomgezicht, Ik wandelde in een wolk van angst en zielsbeklemming,

't Was duister in mijn ziel, bij 's levens morgenlicht. Ik vlood mij-zelf; ik vlood de wroeging der gedachten . . . Maar toch, in de onrust soms der halfdoorwaakte nachten,

Is 't voor mijn brandend oog geweest,

Als stond een engel daar, wier teedre stem ik kende, Die sprak, als zij haar oog, vol tranen, tot mij wendde: „Welzalig de armen naar den geest . .

IL

En thans? mijn uchtendlied stijgt als mijn avondbede:

„Heer, laat mij arm van geest, en rijker zijn van hartl" En thans? een koelte Gods, een adem van zijn vrede

Ruischt om mijn twijflend hoofd en heelt mijn zondesmart, Ik voel mij iedren dag een wankle schrede nader Tot u, o bloedig kruis, tot U, o reddend Vader,

Al ben "k bij die van verre staan;

Ook die van verre zijn, zij mogen zonder schromen Tot U, die nimmer ver, die steeds nabij zijt, komen: De vreemden neemt Ge als zonen aan.

Nu is mij de aarde lief, en dierbaar werd mij 't leven, En hopend staart mijn blik op 't bloeiend levenspad:

Mijn arme ziel kreeg rust, een r.ust van God gegeven,

Ofschoon mijn jonkheid Hem vergat.

o Overvloedige! hoe voedzaam is uw zegen!

Het leven is woestijn — daar daalt uw mannaregen,

Het water stroomt uit elke rots!

Hoe heerlijk is nu de aard! hoe warm gij, zonnestralen,

Waar Hij die aard bezielt, — waar gij in 't hart komt dalen, Als "t koestrend vuur der liefde Gods!

Daar spreekt een andre lach in 't oog der aangebeden",

Waar gij haar drukt in d' arm als 't zoetst geschenk van God De vriendschap heeft, met Hem, verhoogde teederheden,

De luite een reiner klank, en 't leven meer genot;

Sluiten