Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de hooge, blonde duinen, Eenzaam knielen wij I

Lachen wij den hemel tegen,

Die ons tegenlacht Met zijn Trede, met zijn pracht. Met nog ruimer, rijker zegen

Dan ons hart zich dacht 1

Jal ik wil mijn vroolijke oogen

Naar mijn Schepper slaan t 'k Weet, Hij, dia zoo menig traan In zijn goedheid af wou drogen, Zal mijn lach verstaan 1

Op, ter hooge tempelzalen I

Door geen mensch bespied. Wil ik juichen: ik geniet! Éa o»n Hem den dank betalen, Die mijn hart doorziet 1

Laat het strooien hoedje zwiere*

Op 't kastanjebruin!

Pluk een knopjen in uw tuin: Lieve, wij gaan lente vieren Op het hooge duin!

ALS IK DES ZOMERS.

Als ik dos zomers, duffe stadswal, u ontweken,

Mijn iono-e jeugd geniet in zachte hemelstreken,

'Fn baad in morgenkoolte en dweep in maneschijn Aan 't blauwe Sparen of den dichterlijken Rijn,

Waar lieve menschen langs de groene heuvlon wonen,

Waar 't hooge woud weerklinkt van blijde hemeltonen,

Waar ik de bloempjes ken! waar ik den tijd vergeet. En van geen zorg - ei neen! van dag noch datum weet, Waar ik geen last heb van mij-zelf noch van mijn vrinden, En mii in 't dichte bosch geen taaie brief kan vinden,

Daar 'kook geen nieuws verneem, dan teeuwig jonge lieé, Dat uit den hemel klinkt en in mijn ziele vliet:

Dan is 't mij soms als liep ik pas in 't lieTe loven,

Als hadde ik niets gezien dan deze kalme dreven,

Als hadde ik niets gesmaakt dan deze zuivre lucht, Als hadde ik niets gohoord dan t fluistrcnd windgezucht Als hadde ik niets beschreid, gevoold, gedacht, geleden Anch'io de eerste mensch in 'tmeuwgeschapen Men!

1848.

ZOMERTOCHTJE.

Mooi weer! was <9e fc«et, en de blozende morgen Beloofde ona een pralenden, stralenden dag,

Het tochtje aan met een dankbaren lach;

De vogelon zongen: verbant uwe zorgen!

De bloemen verkondden : geniet uwe jeugd 1 God» vriendlijke hemel: ik gun u de vreugd!

Sluiten