Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luister, en, van één tot zeven,

Zeg ik in een bondig lied,

Waar zij allen zijn gebleven,

Want ik had — maar heb ze niet.

De eerste, een knaap met blonde lokEn een vriendelijk gemoed, (ken Is naar 't verre land vertrokken, Hij is heen en heen voor goed. Op zijn beeltnis blijf ik staren

En ik weef een lang gedicht:

Door mijn droomen komt hij waren, Met een vreemd en bruin gezicht.

Nommer Twee liet zijn getrouwen

Loopen voor een kleine meid, Die hem strengen op leert houên,

Smelten doet van zaligheid.

't \Y as een fiere, forsclie jongen,

Die altijd mijn poken brak; Onbedwingbaar, nu bedwongen,

Door een zachte vrouweplak!

Nommer Drie, wien ik het leven

Zoo vol gratie en talent Door zag fladdren, zingen, zweven,

Half een vlinder, half student,

Zijn Eenvaarde zakte op klompen In een kleigrond, zes voet diep, En tracht d' Urmensch in te pompen, Wie dan toch de wereld schiep 1...

Nommer Vier werd ongenietbaar;

't Is een pure filoloog 1 't Is een Graecus, 't is een Piet — maar

Ongelooflijk dom en droog, 'k Moest den Vijfde laten glijden, Daar 'k met hem mijn rust verloor, Want op ongelegen tijden

Las hij me altijd verzen voor.

En de Zusde, jong bedorven —

Zwakke ziel en groote geest — Is, mijn ziele schreit — gestorven 1

Maar een ander zegt, gesjeesd. Mocht hij voor een vriend herleven,

'k Zou hein m een dankbaar nart, 't Liefste plt'kje wedergeven,

Heilig door een lange smart.

Maar u kan zien noch luchten.

Diepst ge '.enken Simia 1 Al uw zeenilen, al uw zuchten,

Al uw doen is laria,

Ieder zuchtje is een Judas,

Ieder glimlach is een list . . . O mijn help >k merk het nu pas, Ach, de vent tferd humorist!

1850.

IV.

HKT SCHOTJE.

Et nos I we he'*^ir'! 1 hier zoo iets,

Een burg, eon Athenaeum,

Als 't binnen kort in duigen stort, Zing ik een klein Te Deuml

Het is een v it gepleisterd graf,

Behangen met portretten,

Die soms bij 't Amsterdamsch laüj» Verschriklijke oogen zetten 1

't Is opgelapt en opgeknapt,

Eén wrak, één reparatie! 't ls opgeflik' en opgeschikt, En staat nog — bij de gratie.

Het is een afgeleefde best, Vol pleisters en op krakken,

En toch een mannentreitrend nesl,

Vol onuitstaanbre nukken 1

ii. hph een hekel aan die kast,

Dat huichelend gebouwtje,

Het is me «en levende ergernis,^ Een „nansch venijnig ouwtjel'

En toch, mijn ziel miskent u niet,

Eenvaarden en Geleerden!

Wier zorgen met meer smaak dau geld Ons kastje restaureerden.

Sluiten