Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Des avonds op der winden zucht, 't Zijn, die mij wekken, bljjde brieven,

De vriendelijke morgengroet, De wenschen mjjner verre lieven,

Die vragen : smaakt u 't leven zoet? 't Is vriendschap, zeegnend uit de

't Is liofde, zeegnend ennabij,(verte, Het is een droom van 't dichterharte Of reeds het leven hemel zij 1

't Is dolen langs de heuvelklingen, En droomen op het krakend mos, En dwepen met de erinneringen,

Die fluistren in het donker bosch; Het zijn de geuren dezer dreven,

De stemmen van den dierbren oord, Waar al de trouwe zuchten zweven Van 't lieve hart, dat mij behoort.

Het is de glans van heldre blikken, Die als de hemel, blauw en zacht, Mijn mijmrend hoofd, mijn hart verkwikken,

1850.

Een zoeto mond, die geeft en lacht; 'tZijn frissche rozen, frissche wangen, 't Is dwaas gesnap, en druk gedruis Van kinderspelen en gezangen, De weelde van het vroolijk huis I

't Zijn vruchten van beladen boomen, Die, als wij schudden, rijp en rond, Ons, dwaze kindren, overstroomen En smelten in den open mond; Het is de room der moederaarde,

Die door de dalen ruischt en vloeit, 't Is do uitgelezen vrucht der gaarde, Die op des levens feestdisch bloeit...

O, 'k weet wel dat het brood der smarte Ook mij, als ieder stervling, wacht; Maar nu— vergeef mij, zoo mijn harte Niet aan het oude vonnis dacht: — Ik mag van 't brood der weelde zingen, Van zegen, dien mij God bereidt, In 't zweet.... van verre wandelingen, Met tranen, ja... van dankbaarheid |

IN GELUKKIGE DAGEJi.

Zachte, frissche lentestralen, Liefdegeur en liefdegloed Sfcrooinen door dees rijke dalen, Stroomen in mijn blij gemoed. Zegen heb ik mild ontvangen....

Nochtans — in mijn eenzaamheid — Heb ik bij mijn blijdate zangen Menig stillen traan geschreid.

Neen, in 't groote rijk der smarte

Ben ik lang geen vreemdling meer; In mijn pas ontloken harte Klinkt een stem reeds van weleer: 1850.

Waar ik van Gods gunst verhaalde,

Dacht ik : Hoe 't mij wezen zou, Als uw blik mijn lot bestraalde, Moederliefde, moedertrouw I

Maar niet luide zal ik klagen.

Voor de menschen — zeker niet. Vriendlijk, als dees blijde dagen,

Klink voor elk mijn dankbaar lied. Gij slechts — geesten van 't verleden

Voert mijn diepe, stille klacht Voor den Hoorder der geboden, In dees stillen lentenacht!

GEDULD.

Een stille, groote deugd, die de englen u benijden,

De vruoht van 't rijk geloof, een sieraad van den geest;

Sluiten