Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een reine lelie in de doornenkroon Tan 't lijden; 't Geheimmsvolle kruid, dat iedre wond geneest I

Een stille psalm der ziel, beproefd en trouw bevonden;

't Welluidendste gebed in 'tzalig Vaderhuis; Als Magdalena's liefde, een losprijs veler zonden;

Een glans om 't Christlijk hoofd, als blonk om Jezus' kruis. 1850.

DE SINT-NIKOLAASAYOND.

EEN AMSTERDAMSCHE VERTELLING.

I.

Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied? Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet ? Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen! — Dat zal wel mettertijd verandren, menschenl maar Ik wil niet veinzen voor mijn drie-en-twintigst jaar. — Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogon!

n.

Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest,

Voor u te zingen is mijn blijde jeugd een feest I Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen: Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen,

Uw tranen wil ik met. Die kostelijke schat Komt beter u te pas op eigen levenspad,

En, zoo ik u verveel — de hachlijkste aller kansen — Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.

in.

Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust,

Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust. Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide Met hopelooze Min of moord, en gruwlen broeide.

'k Ben zorgloos en tevrcên, mijn lied moet vroolijk zgn. Brengt peper aan en zout, o Muzen I geen venijn.

DeeB glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken, Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.

iv.

Beziel me, o plaaggeest der beminde Poëzij,

Beziel me, o schalke nimf der fijne plagerij!

Ik weet een klein verhaal vol vaderlandsche grappen,

Dat ik met hart en ziel mijü vrienden wil verklappen. En zoo het waar mag' zijn dat oen verstandig man

Sluiten