Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hg heeft zijn wraak in 't hoofd — hij aarzelt niet — hij gaat Brutaal juist vis-a-vis den Ridder zich posteeren ....

Eu, lieve hoorders, hij vangt aan te deklameeren:

DIT HET LAND VAN KOKANJE.

1.

Daar leefde — het sprookje schijnt waar op mijn eer — Een moedige, goedige koning weleer;

In zijn zalige jeugd Had de roem hem verheugd,

Nu woondo hij stil in het land van Kokanje,

Hield veel van zijn volk en nog meer van — champanje.

2.

Aan tafel, bij 't schuimen van d' edelen wijn,

Met makke ministers aan 't geurig festijn,

Sloeg hij dikwijls een ui,

In een lustige bui,

En schreeuwde, verrukt door de flesch die hem lief was!

Dat de eerste minister een oolijke dief was!

3.

Hij scheen met die heeren bepaald familjaar,

Vaak zaten ze laat in den nacht bij elkaér,

Met een eerlijkeu roes,

ln een heerlijken soes,

En brachten het verder in snuggere zotten,

Dan 't slimste, dan 't leepste der staats-kabinetteu.

Het hof van mijn prins was aardig als geen,

Zijn Rijkskanselier was zijn Hofnar meteen:

't Was een schrandre borst,

Hij kwam goed bij zijn vorst,

Want wie zoo bemind als de Heer van Kokanjo Of geestig als hij, bij een beker champagne?

5.

Eens, 't was op een duchtig en kluchtig soupé:

Riep de vorst aan 't dessert: »Eh, vla une idéot O mijn zotskap, mijn Floor,

Leen mij aanstonds het oor;

Ik zeg u, o puik aller grootkanselieren!

ik wfl al mijn vrindjes met lintjes versieren.

6.

»Ik wacht u op morgen bij tijds aan 't paleis,

Dan trekken wij fluks met ons tweetjes op reis.

Kaar den Graaf Cantenao En den prins van Pauillae,

Sluiten